Utrecht, Geuzenwijk II. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven en een archeologische begeleiding gevolgd door een opgraving BAAC-rapport A-12.0030/A-12.0167

DOI

Op 12 t/m 15 maart en 2 april 2012 heeft BAAC een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P) uitgevoerd op de locatie Geuzenwijk, fase II te Utrecht. Aansluitend op het IVO-P is een archeologische begeleiding uitgevoerd bij het verwijderen van funderingen van de kort voor het project gesloopte woningen uit de jaren ’30 van de vorige eeuw. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek en de archeologische begeleiding is besloten in een deel van het plangebied nader onderzoek uit te voeren. Het aanvullende onderzoek is uitgevoerd tussen 7 en 15 mei en was er met name op gericht de gracht dat om het kloostercomplex Nieuwlicht heeft gelegen te documenteren.

Er is tijdens het proefsleuvenonderzoek één vindplaats aangetroffen binnen het plangebied. Het ging om restanten behorend tot het kartuizerklooster ‘Nieuwlicht’. Tijdens de definitieve opgraving zijn ook enkele greppels gevonden die vermoedelijk in de vroeg-Romeinse tijd dateren. Deze vormen samen een tweede vindplaats.

De resten van het klooster omvatten een gracht en een uitbraaksleuf, vermoedelijk behoort tot de westelijke muur van de grote pandhof van het klooster. Ook zijn enkele kuilen en een waterput aangetroffen die uit de periode stammen waarin het klooster functioneerde. Deze lagen echter niet alle binnen de contouren van de grote pandhof volgens de reconstructie die gemaakt is door Hollandia op basis van een onderzoek in 2009 aan de overzijde van de Blois van Treslongstraat. Hoe dit moet worden verklaard is niet duidelijk, omdat er geen resten van muurwerk zijn aangetroffen waarbinnen de kuilen zich bevonden, waarschijnlijk doordat de muren van het klooster daar minder diep waren gefundeerd. Bij gebrek aan muurresten is niet te zeggen of de reconstructie aangepast zou moeten worden waardoor de kuilen zich alsnog binnen de muren van het klooster zouden hebben bevonden of dat de kuilen zich inderdaad buiten de bebouwing bevonden. Mocht dit laatste het geval zijn dan geven de kuilen geen aanwijzingen voor de aard van de activiteiten die in het gebied tussen de kloostermuren en de gracht plaatsvonden.

De gracht die om het kloosterterrein liep is tijdens de definitieve archeologische opgraving voor het grootste deel onderzocht voor zover het binnen de grenzen van het plangebied lag. In alle werkputten waar de gracht in lag bevonden zich op het eerste vlak veel verstoringen waardoor de vullingen van de gracht moeilijk te onderscheiden waren. Het tweede en derde vlak en de profielen leverden een veel duidelijker en vrij eenduidig beeld op. In grote lijnen zijn er vier vullingspakketten herkend. Vulling 1 bestaat voor het grootste deel uit klei met humeuze brokken. Op een aantal plekken zijn meerdere vullingslagen te onderscheiden binnen dit pakket, maar het gaat waarschijnlijk om verschillende partijen grond die kort na elkaar in de gracht zijn geworpen. Deze vullingslagen lijken qua kleur en samenstelling veel op vulling 1, maar onderscheiden zich met name door de grootte en hoeveelheid van humeuze brokken. Deze vullingslagen zijn waarschijnlijk in de gracht geworpen niet lang voor de bouw van woningen op het terrein in de jaren ‘30 van de vorige eeuw. Vulling 3 en 4 bevonden zich onder vulling 1 aan de westzijde van de gracht. Op basis van enkele vondsten uit deze vullingen die dateren tussen 1850 en 1900, gaat het waarschijnlijk om lagen die ontstaan zijn tijdens de laatste gebruiksfase van de gracht. Vulling 6 is een donkerbruine, zeer humeuze laag, dat waarschijnlijk de onderste sliblaag van de gracht is geweest. Tijdens het onderhavige onderzoek is geen vondstmateriaal aangetroffen in deze vulling. Onderin het deel van de gracht dat door Hollandia is onderzocht zijn in een vergelijkbaar pakket scherven laatmiddeleeuws aardewerk en kloostermopfragmenten gevonden. Mogelijk is de gracht op enig moment opnieuw uitgegraven. Vulling 2 en 5 lijken in profiel 401 en 701 doorgraven te zijn. In profiel 401 zijn spitsporen herkend op de grens tussen vulling 1 en 2 en in profiel 701 wordt vulling 5 doorsneden door vulling 6. Er is weinig vondstmateriaal aangetroffen in vulling 2 en 5 en deze kunnen daarom niet gedateerd worden. Het is onduidelijk op welk moment de gracht opnieuw zou moeten zijn uitgegraven. De hoeveelheid baksteenpuin dat aangetroffen is in vulling 2 en 5 sluit de mogelijkheid van een natuurlijke waterloop als voorloper van de gracht uit.

De sporen behorend tot vindplaats 2 zijn alleen in proefsleuf 6 en werkput 11 aangetroffen. Het gaat om enkele delen van greppels die tot 30 cm onder het vlak bewaard waren. De greppels zouden mogelijk onderdeel uit kunnen maken van hetzelfde greppelsysteem dat aan de overzijde van de Blois van Treslongstraat is gevonden in 2009. Die greppels werden in de vroeg-romeinse tijd gedateerd. De greppels die tijdens het onderzoek Geuzenwijk II zijn gevonden bevatten geen vondstmateriaal.

In proefsleuf 5 is een noordoost-zuidwest georiënteerde sloot gevonden die waarschijnlijk is gedempt voor de bouw van woning in de jaren 1930. De sloot loopt gelijk met een perceelsgrens, dat zichtbaar is op de kadastrale minuut uit omstreeks 1830. De sloot lijkt ook zichtbaar te zijn op een kaart van Caspar Specht die gemaakt is tussen 1698 en 1708 en die de situatie van 1539 zou weergeven. Op de kaart is te zien, dat de sloot in het zuidwesten aansluit op een andere waterloop, vermoedelijk de oude meanderende loop van de Vecht.

De onderzoeken uitgevoerd in het plangebied Geuzenwijk, fase II hebben in een aantal opzichten het beeld bevestigd dat geschetst is op basis van eerder onderzoek aan het klooster Nieuwlicht, maar er zijn ook elementen die vragen opwerpen. De aangetroffen uitbraaksleuf ligt precies waar die verwacht zou kunnen worden, maar een aantal kuilen en een waterput die qua datering in de periode van het klooster behoren liggen buiten de kloostermuren of op een minder voor de hand liggende locatie binnen de muren. Het is uit historische bronnen bekend, dat de noordelijke vleugel van het grote pandhof enige jaren na de bouw van de westelijke vleugel heeft plaatsgevonden. In de bestaande reconstructie is de ruimte in de noordwest hoek van de grote pandhof onbestemd. Wellicht was de aansluiting van de noordelijke vleugel op de westelijke vleugel anders dan in de reconstructie is aangegeven, maar bij gebrek aan muurresten is het niet mogelijk een concreet alternatief te bieden.

Identifier
DOI http://dx.doi.org/doi:10.17026/dans-zps-k8y3
Related Identifier 10.17026/dans-2cp-wrsv
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:67501
Provenance
Creator Kemme, A.W.A.;Mark, R. van der
Publisher Mitros Projectontwikkeling BV
Contributor Linden, M. van der;BAAC bv
Publication Year 2016
Rights info:eu-repo/semantics/openAccess
Contact BIAX Consult;Linden, M. van der;BAAC bv
Representation
Language Dutch
Resource Type Dataset
Format Microsoft Excel;image/jpeg;image/tiff;application/pdf;application/msword
Coverage
Discipline Not stated
Spatial Coverage {" "}
Temporal Coverage {2016-03,2016-03-23,2016-12-01}