Archeologisch bureauonderzoek Groenezoom (ong.) te Dordrecht in de gemeente Dordrecht

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van de verzamelde landschappelijke gegevens geldt voor het plangebied de volgende paleogeografische ontwikkeling. Vanaf het (Laat-)Paleolithicum t/m het Mesolithicum had het plan-gebied een ligging binnen een vlechtende riviervlakte (zuidelijke helft van het plangebied waarschijnlijk op het Laagterras/laat-glaciale terrasniveau, noordelijke helft van het plangebied binnen het ingesneden Terras X/binnen een gebied waar laat-glaciale insnijding heeft plaatsgevonden), overgaand naar een ligging binnen een komgebied. In deze perioden hebben binnen of in de directe omgeving van het plangebied geen voorlopers van de Rijn gelegen en vond vooral veenvorming plaats.

In de perioden vanaf het Neolithicum t/m Vroege-Middeleeuwen hebben binnen het gemeentegebied van Dordrecht enkele actieve meandergordels/stroomgordels gelegen, veelal meandergor-dels/stroomgordels die tijdens het Neolithicum een anastomoserend patroon hadden en daarmee aan weerzijden van de geul smalle oeverwallen hebben gevormd. Deze terreindelen vormde de meest gunstige bewoningslocaties in deze perioden. Het plangebied ligt ruim buiten de zones van de bekende meandergordels/stroomgordels. Het plangebied behield zijn ligging in een vrij nat en drassig komgebied, waar nu voornamelijk komklei werd gesedimenteerd.

Vanaf de 11e en 12e eeuw werd het gebied ingepolderd en ontstond de polder van de Groote Waard. Vanaf de kleiige oeverwallen langs de de Merwede, het Oude Maasje, de Dubbel en de Thuredrith konden de ontginningen van het achterliggende klei-op-veengebied worden opgezet. Tijdens het bestaan van de Groote Waard hadden de kleiige oeverwallen de meeste voorkeur als bewoningslocaties (de ligging van de ontdekte verdronken dorpen wijst daar op), maar ook op het achterliggende en ingepolderde klei-op-veengebied was bewoning in eerste instantie nog mogelijk. Het gevolg van de ontginning en de ermee gepaard gaande ontwatering was dat de Groote Waard steeds lager kwam te liggen. Ten gevolge van meerdere stormvloeden veranderde de Groote Waard in een ondiep zoetwatergetijdengebied: het Bergsche Veld (de latere Biesbosch). Door voorgaande sedimentatie in dit estuarium, aangeduid als het Merwededek, kwam dit gebied steeds hoger te liggen en werd vervolgens opnieuw ingepolderd. Fysisch geografisch onderzoek circa 500 meter ten zuiden van het plangebied heeft aangetoond dat het Merwededek doorloopt tot een diepte van circa 2 m -mv (tot circa 3 m -NAP). Het plangebied maakt deel uit van de Nieuwe Noordpolder die in 1829 is ingepolderd. Het plangebied was voor langere tijd geheel in agrarisch gebruik. Pas rond begin jaren ‘80 van de 20e eeuw vinden de eerste bouwwerkzaamheden plaats van de bestaande middelbare school. In de omgeving van het plangebied zijn tot op heden geen in situ liggende archeologische resten aangetroffen. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat er in de omgeving van het plangebied tot op heden nauwelijks archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd.

Het plangebied heeft een lage archeologische verwachting voor resten uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Vroege Middeleeuwen en uit de Nieuwe tijd. Eventueel aanwezige resten uit de perioden Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum (Jagers-Verzamelaars) worden verwacht op grotere diepte in de top van het Laagterras en het ingesneden Terras X (laat-glaciale terrasniveau en laat-glaciale insnijding) dan wel in het onderste deel van het klei-op-veen pakket verwacht. Eventueel aanwezige resten uit de perioden Neolithicum t/m Vroege-Middeleeuwen worden verwacht in het klei-op-veen pakket. Eventueel aanwezige resten uit de Nieuwe tijd worden in (de top van) het Merwededek verwacht en dan alleen losse vondsten. Er zijn vanuit het geraadpleegde historisch kaartmateriaal namelijk geen aanwijzingen dat er bewoning heeft plaatsgevonden, zowel voor als na de inpoldering van de Nieuwe Noordpolder.

Voor de aanwezigheid van archeologische waarden uit de late Middeleeuwen geldt een middelmatige kans. Bewoningssporen uit deze periode kunnen aanwezig zijn in de top van de klei-op-veen komaf-zettingen. De archeologische laag zal vooral bestaan uit een vermenging van onder meer vuursteen-resten, kleine fragmenten aardewerk, houtskool en bot met het oorspronkelijke substraat. Het afdekkende Merwededek zal tevens hebben gezorgd voor een goede conservering van organische resten en bot (permanent natte en zuurstofloze condities). Mogelijk is de top van het klei-op-veenlandschap in het plangebied gelegen op een diepte van circa 2 m -mv (op een diepte van circa 3 m -NAP), maar dit kan pas bepaald worden door middel van een booronderzoek. Voor het hele Eiland van Dordrecht geldt tevens dat de aan- of afwezigheid van archeologische waarden erg moeilijk te bepalen is door middel van een booronderzoek. Huisplaatsen uit de Late-Middeleeuwen in de Groote Waard staan (mogelijk) niet per se op archeologisch goed herkenbare antropogene ophogingen. Ook is verspreid binnen het gebied van het Eiland van Dordrecht de top van het laatmiddeleeuwse landschap in enige mate geërodeerd, waardoor antropogene pakketten en antropogeen beïnvloede afzettingen (bijv. een akkerniveau in de (kom)klei op het Hollandveen) in mindere mate herkenbaar zijn. Het verkennend inventariseren van de aard, diepteligging en conservering van de lithostratigrafische bodempakketten is daarom een eerste vereiste.

Advies Op grond van de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek wordt voor het plangebied geadviseerd een aanvullend inventariserend veldonderzoek uitvoeren door middel van een verkennend booronderzoek te laten uitvoeren, waarmee het gespecificeerde verwachtingsmodel, dat gebaseerd is op het archeologisch bureauonderzoek kan worden aangevuld en getoetst. Op basis hiervan kan een betere voorspelling gedaan worden over de mogelijke aan- of afwezigheid van archeologische waarden en de mogelijke diepteligging daarvan. Tevens dient het verkennend booronderzoek om een betrouwbaar beeld van de gaafheid van de bodem te verkrijgen.

De volgende onderzoeksvragen zullen door middel van het booronderzoek worden beantwoord:

 Wat is de bodemopbouw binnen het plangebied?  Is het bodemprofiel (en dan vooral gericht op de top van de klei-op-veen komafzettingen onder het Merwededek) binnen het plangebied intact of (geheel of gedeeltelijk) verstoord en indien verstoord, tot welke diepte gaat deze verstoring?  Wat zijn de gevolgen van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied.

Specifiek voor het plangebied is van belang/dient te worden bepaald of het (Laat-)Middeleeuwse sporenniveau nog intact aanwezig is en op welke diepte deze zich bevindt. Relevante Nieuwe tijd sporen (van vòòr de inpoldering in 1829) worden op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal niet verwacht.

Identifier
DOI http://dx.doi.org/doi:10.17026/dans-z4p-422a
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:77794
Provenance
Creator Broeke, E.M. ten
Publisher Econsultancy
Contributor Econsultancy
Publication Year 2018
Rights info:eu-repo/semantics/openAccess;License: http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
Contact Econsultancy
Representation
Language Dutch
Resource Type Text
Format application/pdf
Discipline Archaeology
Spatial Coverage {" "}
Temporal Coverage {2018-01-29,2018-01-29,2018-01-29}