Archeologisch vooronderzoek in het kader van sloopwerkzaamheden ter hoogte van de voormalige asfaltcentrale aan de Houtkade 40 te Goes, gemeente Goes Ruimtelijk advies op basis van bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase)

DOI

Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) uitgevoerd voor een plangebied in de gemeente Goes. Het betreft een voormalige asfaltcentrale. Deze is al geruime tijd buiten gebruik en was tot voor kort in gebruik als zand- en grindhandel. Hier zal een kantoor worden en een weegbrug worden gesloopt (afbeelding 1, blauw omlijnd, kaart 1). De ondergrondse sloop zal naar verwachting tot ca. 2 meter beneden maaiveld reiken. Het maaiveld in het plangebied ligt op 2,2 meter boven NAP. De ontgravingen reiken maximaal tot ca. 0,2 meter boven NAP. Vanuit het bevoegd gezag is aangegeven dat voorafgaand aan het uitvoeren van de sloop een archeologisch onderzoek is vereist.

Binnen het bestemmingsplan Havengebied Goes ligt het plangebied in een zone met de dubbelbestemming Waarde – Archeologie -2. Dit betekent dat bodemroerende ingrepen dieper dan 40 cm beneden maaiveld en met een oppervlakte van 250 m2 of meer vergunningplichtig zijn vanuit de archeologie.

De gemeente Goes beschikt over een gemeentelijke archeologische beleidskaart (kaart 2a tot en met kaart 2d Vestigia-rapport V1558, Bijlage 3 bij het huidige rapport). Deze kaart bestaat uit vier kaartlagen, gebaseerd op de lithostratigrafische indeling van de laat-Pleistocene en Holocene ondergrond. Laag 1, de bovenste laag, bestaat vooral uit relatief jonge (klei)bodems. Op basis van bodemkundige kenmerken is aan deze bodems een hoge, gematigde en lage verwachting toegekend. Onder laag 1 liggen afgedekte, oudere landschappen: hierin kunnen prehistorische, Romeinse en vroeg-/laatmiddeleeuwse sporen van bewoning en gebruik zijn geconserveerd (laag 2 tot en met laag 4). Volgens deze kaart ligt het plangebied in een zone met hoge archeologische verwachting binnen de lithostratigrafische eenheden Walcheren, Hollandveen en Wormer (kaart 2 a t/m c) en worden archeologische resten ter hoogte van het Pleistoceen niet verwacht (kaart 4).

Het plangebied ligt in het zuidwestelijke zeekleigebied. Dieper dan 0,2 meter boven NAP en daarmee buiten het bereik van de werkzaamheden, liggen dekzand, oude zeeklei en het Hollandveen. Binnen de verstoringsdiepte kunnen afzettingen worden aangetroffen die behoren tot oudland, de (afgedekte) polders van het Laagpakket van Walcheren ouder dan 1300. Deze afzettingen hebben een hoge archeologische waarde binnen het gemeentelijk beleid. De afzettingen zijn afgezet vanaf ca. 1000 voor Chr. en resten vanaf de IJzertijd kunnen verwacht worden. Het plangebied heeft in deze periode geen onderdeel uitgemaakt van een kreek, maar in het daarbuiten gelegen klei-op-veengebied gelegen. Het lijkt op basis van textuur in de milieukundige boringen en de reconstructie in en eerder uitgevoerd bureauonderzoek aannemelijk dat in het plangebied oeverafzettingen van dit kreeksysteem aanwezig zijn. Het huidige maaiveld in het plangebied ligt rond 2,2 meter boven NAP en de afgravingen reiken tot maximaal ca. 0,2 meter boven NAP (ca. 2 meter beneden maaiveld). Op basis van het milieukundig booronderzoek is een ophogingslaag met zand te verwachten tussen 0,5 en 1,8 meter beneden maaiveld. De sedimenten daaronder kunnen het intacte oppervlak van de oevers van een kreeksysteem zijn van het Laagpakket van Walcheren. Vanaf de Late Middeleeuwen tot aan de tweede helft van de 20e eeuw lag het plangebied direct ten noorden van de dijk die de Kloetingse Polder begrensde. Met de ontwikkeling van het oostelijke havengebied is de dijk verdwenen. Vanaf de 17e tot in de late 19e eeuw lag het plangebied ten noorden van de Oostschans, die in de tweede helft van de 19e eeuw geslecht is.

Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek gold voor het plangebied een hoge archeologische verwachting op sporen in de top van het Laagpakket van Wormer en het Hollandveen Laagpakket. Deze liggen echter buiten het bereik van de geplande ontgravingswerkzaamheden. Verder was op basis van de resultaten van het bureauonderzoek niet uit te sluiten dat binnen de ontgravingsdiepte (2 meter beneden maaiveld) de intacte top van het Laagpakket van Walcheren (het oudland) aanwezig is. Ook was het op basis van het bureauonderzoek mogelijk dat zich binnen de verstoringsdiepte nog resten van het nieuwstijd dijklichaam bevinden. Volgens de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2017 maakt een verkennend booronderzoek met een dichtheid van 8 boringen per hectare en een minimum van 4 boringen voor plangebieden kleiner dan 0,5 hectare, onderdeel uit van het bureauonderzoek.

Binnen het plangebied van circa 400 m2 zijn in totaal 4 boringen gezet die zo gelijkmatig mogelijk over het plangebied verdeeld zijn. Tijdens het booronderzoek zijn geen aanwijzingen voor een dijklichaam aangetroffen. De ondergrond van het plangebied is tot een diepte van minimaal 130 cm en maximaal 160 cm beneden maaiveld verstoord. In de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren is geen natuurlijke bodem aanwezig in de top of deze is omgewerkt.

Advies Op basis van de resultaten van het onderhavig onderzoek is de kans op het aantreffen van een (intacte) archeologische vindplaats op een diepte van maximaal 2 meter beneden maaiveld bij te stellen naar laag: zowel dekzand, oude zeeklei als het Hollandveen liggen buiten bereik van de verstoringen. Ook is er geen natuurlijke bodem aanwezig in de top afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie adviseert daarom ten behoeve van de voorgenomen werkzaamheden geen vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) uit te voeren.

Het bevoegd gezag, de gemeente Goes, dient eerst over het advies in dit rapport een besluit te nemen. Wanneer het bevoegd gezag besluit dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is en het plangebied wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische ‘toevalsvondst’ wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland (SCEZ) en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Identifier
DOI http://dx.doi.org/doi:10.17026/dans-zvf-t9zq
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:155969
Provenance
Creator Puijenbroek, F.P.J. van
Publisher Vestigia bv
Contributor Satijn, O.P.N.;Vestigia bv;Visser, C.A.
Publication Year 2019
Rights info:eu-repo/semantics/restrictedAccess
Contact Satijn, O.P.N.;Vestigia bv;Visser, C.A.
Representation
Language Dutch
Resource Type Dataset
Format application/pdf
Coverage
Discipline Not stated
Spatial Coverage {" "}
Temporal Coverage Begin 2018-03-14T11:59:59Z
Temporal Coverage End 2019-11-27T11:59:59Z