De Lentse lus archeologisch ontrafeld. Bewoningsporen uit de middeleeuwen en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog. Archeologische Berichten Nijmegen - Rapport 68

De plek waar nu een fietstunnel ligt op de Lentse Lus heeft in de loop der eeuwen menig gedaantewisseling on-dergaan. Het verre verleden van deze plek zal waarschijnlijk altijd onbekend blijven. Aan de hand van de lokale geologische en morfogenetische kaart is op te maken dat in het 6e millennium v. Chr. een rivier en water het aan-zicht van dit gebied bepaald. Deze rivier stroomde door een meanderende bedding en de hier gesitueerde bocht raakte rond 5500 v. Chr. afgesneden en geleidelijk aan slibde dit water dicht. Dit impliceert dat het mogelijk zou zijn om vanaf ruwweg 5000 v. Chr. sporen en vondsten van menselijke activiteiten, verblijf en bewoning archeolo-gisch te traceren. Dat blijft echter bij 'zou', omdat een voorganger van de Waal ten tijde van de overgang van brons- naar ijzertijd een zeer scherpe bocht onderaan de Nijmeegse stuwwal maakte waardoor de rivier door een noordwaarts georiënteerde bedding stroomde tot voorbij het huidige Lent om vervolgens weer in westelijke richting af te buigen. De rivier bleef meanderend stromen zodat bochten zich uitbouwden en een stroomgordellandschap ontstond, waarin op den duur het rivierwater kortere wegen zocht en bochten als gevolg van een meanderhalsafsnijding buiten de hoofdgeul van de rivier raakten. Een dergelijke meanderhalsafsnijding deed zich voor rond het beging van de jaartelling, waardoor de Waal min of meer een stroombed innam vergelijkbaar met haar huidige loop zo onderlangs Nijmegen. Het water van wat we maar gemakshalve de ijzertijd-Waal noemen, sleet een metersdiepe bedding uit waardoor bodemlagen met daarin mogelijke sporen en vondsten uit het neolithicum en bronstijd erodeerden. Dientengevolge hoeven archeologische vondsten van die ouderdom niet te worden verwacht op de Lentse Lus. Oudere bodemlagen dan ca. 1000 voor Chr. liggen ongeveer langs de oostelijke begrenzing van de Lentse Lus. Het geïsoleerde late-bronstijdcrematiegraf markeert die overgang van de ijzertijd-Waalbeddingsedimenten naar oudere gronden. Dit crematiegraf is de enige vondst van de opgraving Gf17 op de Lentse Lus waarvan met zekerheid kan wor-den gesteld dat die dateert in de prehistorie. Enkele scherven van handgevormd aardewerk kunnen mogelijk van ijzertijdvaatwerk zijn, maar het is evenmin uit te sluiten dat dit aardewerk is vervaardigd in de Romeinse tijd. Wat dat betreft blijft de prehistorische geschiedenis van de Lentse Lus een zo goed als onbeschreven bladzijde. Het al genoemde crematiegraf is overigens wel reden tot alertheid omdat het een begraving betreft tijdens de zoge-naamde urnenveldtijdperiode. Een individuele of geïsoleerde begraving is niet uit te sluiten, maar gewoonlijk wer-den de crematies van de overledenen bijgezet in een gemeenschappelijk grafveld en aangezien deze grafvelden ook gedurende enkele generaties werden gebruikt bieden zij plaats aan enkele tientallen begravingen alhoewel kleine grafvelden met tien begravingen zoals in het Lentse Veld ook voorkomen. Het is dus niet uit te sluiten dat ten oosten van de rotonde bij de Laauwickstraat en Pastoor van Laakstraat meer crematiegraven schuil gaan in de bodem. En waar mensen werden begraven, woonden ze ook zodat huisplaatsen uit de late bronstijd en vroege ij-zertijd ook moeten schuil gaan in de Lentse bodem ten oosten van de genoemde rotonde. Behalve neolithicum, bronstijd en ijzertijd ontbeert de geschiedenis van de Lentse Lus eveneens de Romeinse tijd ook al is er enig vondstmateriaal uit de eerste eeuwen na Chr.: vijf munten, een draad-fibula en enkele scher-ven van gedraaid aardewerk. Deze stukken lijken niet op de Lentse Lus te zijn beland omdat ze toentertijd daar zijn gebruikt en daarbij letterlijk of figuurlijk verloren zijn gegaan. Het merendeel van deze stukken komen uit jongere sporen of bodemlagen. Het is echter niet juist die als opspit te bestempelen, want er zijn geen oudere bo-demlagen met daarin overwegend vondstmateriaal uit de Romeinse tijd waaruit materiaal vermengd is geraakt met jongere sporen en bodemlagen als gevolg van graven, spitten en ploegen. Het is verre van duidelijk hoe dit mate-riaal hier is geraakt. Het aardewerk ziet er niet versleten en afgerond uit, zodat het niet voor de hand ligt dat het verspoeld of aangespoeld materiaal is ten tijde van de sedimentatie van de Waaloeverklei. Aanwijzingen voor op-hogingen met grond van elders zijn niet zichtbaar in de putwandprofielen. In de sloten langs de middeleeuwse weg kan water hebben gestroomd en het is voorstelbaar dat materiaal daarmee is aangevoerd, maar het materiaal blijft zeker niet beperkt tot de vullingen die sloten. Het is in ieder geval zonneklaar dat in de volle middeleeuwen men-sen materiaal uit de Romeinse tijd hebben verplaatst en benut omdat een fors aandeel van de natuursteenbrokken hergebruikt bouwmateriaal is uit die tijd. Kan het zijn dat met de aanvoer van zulke stenen ook het overige materi-aal op de Lentse Lus is beland?

Het merendeel van het Waaloeverpakket zal zijn opgeslibd in de middeleeuwen. De daarin gevormde bodem (laag 5015) in de bovenkant van het pakket markeert een tijdsperiode waarin de bodemaanwas stagneerde en mensen het terrein meer en meer betraden. De bodemvorming startte rond de overgang van de vroege naar de late mid-deleeuwen, die ook wel te boek staat als de volle middeleeuwen. Niettemin vangt de middeleeuwse geschiedenis van de Lentse Lus enkele eeuwen eerder aan, in de Karolingische periode, met het uitgraven van een ondiepe sloot of greppel (Gr1). De opvulling van deze sloot heeft een gekalibreerde 14C-ouderdomsbepaling van 779-865 cal AD. In de vulling hiervan zijn een paar stukken bot gevonden alsmede enkele verkoolde zaden. De gravers van deze sloot lieten weliswaar enig afval achter, maar dat is niet zoveel dat we daaruit mogen concluderen dat ze zeer nabij een huisplaats bewoonden, althans niet binnen het areaal van de Lentse Lus. Anderzijds wijzen enkele potscherven van Mayen- en Badorf-aardewerk uit de kleilagen en in de vullingen van jongere middeleeuwse sporen dat met enig regelmaat afval hier is beland en het aannemelijk is dat mensen in de buurt van de Lentse Lus woonden. Afval is een prima vorm van bemesting, maar zoals al is opgemerkt is de begraven bodem 5015 ruim 100 jaar jonger dan de Karolingische tijd en het ontstaan van een dergelijke bodem wordt vaak verklaard als ge-volg van het ploegen en spitten van akkers. De afwezigheid van een begraven bodem met daarin een nadrukkelij-ke component afval uit de Karolingische periode doet vermoeden dat de toenmalige bewoners deze gronden niet gebruikten als akkers en de sloot uitgroeven voor ontwatering en indeling van mogelijke wei- en hooilanden die niet behoefden te worden gemest. De Karolingische bewoning zal wat meer naar het oosten zijn gelegen, op de oudere gronden. Dat is in de omgeving van de iets oudere Merovingische grafvelden nabij de Azaleastraat (dorpskern) en Aragonnestraat (Lentse Veld). In het grafveld van de Azaleastraat zijn ook sporen van mogelijke steenbouw uit de Romeinse tijd aangetroffen en het is niet ongewoon dat mensen zich vestigden op zulke plek-ken in de Karolingische periode. Op de Lentse Lus zijn de scherven van Pingsdorf-aardewerk een gidsfossiel voor de 10e en 11e eeuw. Veel van deze scherven bevinden zich in het kleipakket (laag 5020) onder de begraven bodem 5015, waarin scherven van dit aardewerk matig zijn vertegenwoordigd. Deze waarneming maakt het aannemelijk dat het opslibben van de grond ter plaatse van de Lentse Lus aanhield tot in de 10e eeuw. Niettemin representeren de Pingsdorf-scherven menselijke aanwezigheid en activiteiten, wat onder meer gepaard is gegaan met het graven van sloot/greppel Gr20 in de oostelijke helft van de Lentse Lus. Hieruit mag worden afgeleid dat ook in de 10e eeuw dit gebied deel uitmaakte van het agrarisch cultuurlandschap buiten de akkers om. Na 1000 na Chr. ontstaat de begraven bodem 5015. Het is niet te bepalen wat de grootste aanjager van deze bodemvorming is geweest, begon het als gevolg van de ontginning tot akkers of werd dit areaal vrijwel meteen na het stagneren van de opslibbing met oeverklei toegevoegd aan de woongronden? Archeologische aanwijzingen voor het ploegen of doorspitten van laag 5015 zijn overigens niet waargenomen. Dat dit gebied is bewoond in de volle middeleeuwen lijdt geen twijfel, alhoewel in de vele tientallen paalsporen geen plattegrond van een woonhuis kan worden herkend. Terwijl 10e tot en met 12e eeuwse plattegronden goed herkenbaar zijn vanwege hun over-wegend driebeukige ovaalvormige configuratie die vaak wordt omschreven als bootvormig. Dat laat onverlet dat de oplettende archeoloog ook alert behoort te zijn op rechthoekige plattegronden zoals die uit de 10e eeuw in het iets meer naar het noorden gelegen Lentse Veld. In de vele paalsporen zijn echter wel de plattegronden herkend van elf roedenbergen, dat zijn bouwsels die zijn te vergelijken met hooibergen. Die roedenbergen waren geen bouwsels die mensen hadden geplaatst in hun velden, ze waren altijd gebouwd op het erf. Met andere woorden, waar roedenbergen hebben gestaan liggen ook huisplattegronden zoals drie wijd verspreide voorbeelden tonen uit Kerk Avezaath - Huis Malburg, Someren en Zijen - Vorekamp. Evenmin zijn er veel voorbeelden van middeleeuwse waterputten in het vrije veld, die lagen meestal ook op een huiserf. In het westelijke opgravingsvlak van de Lentse Lus liggen drie plattegronden van roedenbergen en in het oostelijke opgravingsvlak maar liefst acht en in beide vlakken liggen ze geclusterd en zijn voorbeelden van oversnijdingen. Het heeft er alle schijn van dat beide concentraties een boerenerf weerspiegelen en dat op elk erf roedenbergen zijn gebouwd op verschillende momenten. Alhoewel de Nederlandse archeologie een grote traditie heeft van het opgraven van huisplattegronden en zelfs erven, staat het onderzoek naar bewoningsgeschiedenis van erven en nederzettingen vreemd genoeg in de kinderschoenen. Er zijn veel (micro-)regionale studies waarin onderzoek is gedaan naar diachrone ontwikkelingen in het nederzettingspatroon maar het in de Nederlandse archeologie ook veelvuldig gebruikte begrip 'culturele biografie' wordt feitelijk niet toegepast op het niveau van huiserven in de praktijk van de archeologische monumentenzorg. Het is menig maal vastgesteld dat paalsporen in huisplattegronden zijn doorsneden door zogenaamde uitgraafkuilen zodat het hout of zelfs het desbetreffende gebint kan worden hergebruikt, maar opmerkelijk genoeg worden zulke kuilen niet aangetroffen in het geval van overlappende plattegronden van roedenbergen. Vooral de concentratie van roedenbergen in de oostelijke helft van de Lentse Lus laat zien dat het onvoorstelbaar is dat een roedenberg pas zou worden vervangen nadat de voorganger tot op de grond toe is geruïneerd. Wat wellicht een indicatie kan zijn dat deze palen niet zo lang zijn geweest en vooral dragers waren voor een vloer die een paar decimeter boven het maaiveld 'zweefde'. In dat geval zijn roedenbergen makkelijk te ontmantelen en hoeven de stijlen niet worden uitgegraven. Het is dan zelfs voorstelbaar dat de constructie boven die vloerdragende stijlen wel eens is vernieuwd zonder dat de stijlen hoefden te worden vervangen. Het is echter ook niet uit te sluiten dat bij de vervanging van een roedenberg de stijlen vlak boven het maaiveld simpelweg werden afgekapt. Maar laten we terugkeren naar de twee groepen roedenbergen op de Lentse Lus. Zij representeren dus twee erven, maar het is onbekend hoe lang deze erven gemiddeld werden bewoond. Voorbeelden van middeleeuwse huisplaatsopgravingen tonen voorbeelden van overlappende plattegronden, zodat het aannemelijk is dat op een erf herbouw plaatsvond en dat door achtereenvolgende generaties op een erf is gewoond. Hoe duurzaam de hui-zen waren en die overerfbaar waren is nog onvoldoende onderzocht. Het aardewerk dat in de middeleeuwse spo-ren is gevonden dateert in een lang bereik, tussen ruwweg 1000 en 1350, wat zou duiden op langduriger bewoning op dezelfde locatie. De drie deels overlappende huisplattegronden uit de Ottoonse periode in het Lentse Veld is hiermee vergelijkbaar, zoals ook een recentelijk opgegraven middeleeuws nederzettingsterrein nabij Veur-Lent tussen de Prins Mauritssingel en de Griftdijk Zuid een sporenconcentratie laat zien van overlappende huisplatte-gronden, bijgebouwen en waterputten uit de 10e tot in de 12e eeuw. Hoe de twee erven op de Lentse Lus waren gelegen of georiënteerd is niet uit de opgravingsgegevens op te maken, maar met enig redeneren en circumstanti-al evidence is een poging te wagen. Behalve de roedenbergen en waterputten zijn twee andere sporengroepen van groot belang en dat zijn de twee parallelle sloten/greppenbundels met een zuidwest-noordoostrichting. Zij dateren tussen ruwweg tussen 1100 en 1600, tot vlak voor de aanleg van het kanaal de Grift dat was uitgegraven onder de huidige Prins Mauritssingel. Dankzij de landschapsstudie die is uitgevoerd als gevolg van de dijkverlegging te Lent, is duidelijk geworden wat de loop van de ijzertijd-Waal is geweest en dat de restgeul hiervan tot in de middeleeuwen watervoerend is geweest. Langs deze geul lijkt een weg te hebben gevoerd en deze weg is aan weerszijden geflankeerd door een greppel/sloot. Deze route is vanaf de volle middeleeuwen een plaatsconstante, eerst als weg, vervolgens als kanaal en daarna weer als weg tot aan de hedendaagse Prins Mauritssingel aan toe. De bestendiging van deze weg in de vorm van de flankerende sloten lijkt niet veel jonger dan de vroegst archeolo-gisch zichtbare bewoning in de 11e eeuw. Het nederzettingsterrein langs de Griftdijk Zuid, nabij Veur-Lent, ligt als een lintbebouwing langs de oostelijke sloot/greppelbundel en de huisplattegronden en huiserven staan hier haaks op georiënteerd. Voor een vergelijkbare oriëntatie is in ieder geval geen ruimte voor het erf op het westelijke deel van de Lentse Lus, de paalsporen van de roedenbergen worden al haast oversneden door de sloten/greppels. De twee opgegraven delen van de Lentse Lus zijn de entrees tot de fietstunnel en deze fietsroute staat haaks op de Prins Mauritssingel en daarmee ook vrijwel haaks op de voormalige Grift en de middeleeuwse weg. De twee con-centraties roedenbergen liggen daarmee op een lijn die haaks is gelegen op de middeleeuwse weg. Vermoedelijk hebben beide huiserven een noordwest-zuidoostoriëntatie gehad en lagen ze parallel aan de middeleeuwse weg maar vooral haaks op de Laauwickstraat, een van de vroeg-middeleeuwse ontginningsassen van Lent. De huis-plattegronden lagen daarom vermoedelijk te zuidoosten van beide clusters roedenbergen, zodat de bewoners vanuit huis en hun voorerf uitkwamen op die weg. Deze boerenhuishoudens waren qua voedselvoorziening vrijwel zelfstandig, ze hadden een landbouw met vee-teelt, akkerbouw en tuinbouw. Hetgeen niet betekent dat deze huishoudens zelfstandig leefden, ze deelden juist veel werk, lief en leed met elkaar in een hechte gemeenschap. Op de Lentse Lus is een aansprekend voorbeeld van die samenwerking in de vorm van de rosmolen op het westelijke erf. Deze rosmolen zal niet alleen het graan van dat huishouden tot meel hebben gemalen, daarvoor hadden handmolens volstaan. De rosmolen diende om graan van verschillende huishoudens te malen. Mogelijk voor de markt, maar het kan ook afdracht zijn geweest aan de heer van Lent die enkele honderden meters zuidelijke langs de weg woonde. Het zal geen onbekommerd, zorgeloos en rijk leven zijn geweest voor deze middeleeuwse bewoners van Lent. Het verlies van een varken of een rund zoals blijkt uit de verschillende dierbegravingen, zal gelaten zijn verwerkt, dat was een tegenvaller. Daarentegen was het leven ook niet al kommer en kwel. Lent kende een zekere mate van voorspoed in de middeleeuwen waarvoor het vondstmateriaal als illustratie dient. Het aardewerk bijvoorbeeld ver-telt ons dat deze boeren de middelen hadden om in het Rijnland vervaardigde kogelpotten te verwerven. In de late middeleeuwen werd veel van het aardewerk lokaal geproduceerd, maar dat betekent niet dat Lent in deze tijd minder welvarend is. Schenk- en drinkgerei maken een opvallend groot deel uit van het aardewerken servies en laten zien dat de inwoners van Lent zich een stijl hadden aangemeten die past bij een meer burgerlijke of stadse levensstijl. Ze dronken hieruit bier en wijn. Hoewel hun woningen niet zijn gevonden, zien we wel veel terug van het leven in het oude Lent. Roedenbergen zijn stille getuigen van de opslag van ongedorst koren en stro, de reflectie van de noodzaak van boeren om ieder jaar voorraden aan te leggen voor mens en vee. De botanische resten geven ons een inkijkje in de gewassen die worden verbouwd: gerst, tarwe en vlas zijn in de middeleeuwen lokale producten. Ook vlier en hazelaar zijn terug te vinden onder de botanische resten, deze hebben wellicht in beheerde vorm op het erf hebben gegroeid. De handmaalstenen en de rosmolen vertellen ons dat het werk na de oogst nog niet gedaan is: eer er brood kan worden gegeten, moet er eerst worden gemalen. Maar wat staat er dan op tafel naast dat brood? De Lentenaars eten door de eeuwen heen rund, varken, schaap, geit en gans. Daarnaast leven er ook paarden en honden, waarbij er een mogelijkheid is dat de Lentenaars ook af en toe een paard hebben opgegeten, ondanks de verordening van paus Gregorius III uit 732. De aanwezigheid van een relatief hoge hoeveelheid paardenbotten hangt wellicht vooral samen met de veelzijdigheid in gebruik van deze dieren. Deze veelzijdigheid is ook terug te zien bij het aangetroffen metaal, waar hoefijzers, (versierd) paardentuig, een prikspoor en onderdelen van wagens een inkijkje geven in de rol die paarden speelden in de lokale economie. Op basis van het botmateriaal zijn de bewoners in zowel de middeleeuwen als nieuwe tijd te karakteriseren als kleinschalige boeren, die een kleine veestapel hielden om in de eigen behoeften te voorzien. Wat schafte de pot meer en lag op de eettafel van deze middeleeuwse boeren? De waterputten, archeologisch gezien altijd goed voor een snelle kijk in het leven van vroeger, geven het eetgerei in selectieve mate terug: het betreft voornamelijk messen, om het vlees en het brood mee te snijden. De houten lepels die de Lentenaars zullen hebben gebruikt, moeten we er maar bij denken. Ook een vleesvork en een schuimspaan zijn aanwezig, wederom indicaties dat de Lentenaars een redelijk welvaartsstandaard hebben gehad. Maar het leven is niet alleen werken en eten, er moet ook gespeeld worden. Twee glissen, gemaakt van paarden-bot, laten zien dat er ook geschaatst is in de middeleeuwen. Ook een speelschijfje laat zien dat het leven werd ge-vierd. De munten van de Lentse Lus, hoewel vrij beperkt in kwantiteit, tonen op een bescheiden manier het verande-rende monetaire beeld van Nederland in de late middeleeuwen. De drie vroegste munten van de late middeleeuwen komen uit Utrecht, Dordrecht en Frankrijk en passen daarmee in de trend dat de Hollandse penningen belangrijke handelsmunten worden. De Vlaamse leeuwengroot gaat al vrij snel na 1337 het muntbeeld overheersen en dankzij de onderverdeling in verschillende waardes krijgt het geld een duidelijke rol in alle lagen van de bevolking. De tijdens de opgraving in Lent gevonden munten zijn klein van waarde en zij weerspiegelen daarmee het muntgebruik van de lokale bevol-king. Niet alleen weten we iets van wat de Lentenaars deden voor de kost, of wat ze deden voor de lol, of wat ze hebben gegeten. Zelfs de naam van één van hen spreekt tot ons vanaf een afstand van ruim acht eeuwen: Ger-lach, die zijn zegelstempel kwijt raakte aan de rand van een sloot. Helaas weten we niet of Gerlach in de buurt van Lent woonde, of dat hij slechts een toevallige passant was. Ook de omstandigheden waaronder hij zijn zegel-stempel verloor, zijn ons onbekend. Slingerde hij kwaad zijn zegel weg toen hij erachter kwam dat de naamval op zijn zegel niet klopte?

De laat-middeleeuwse en nieuwetijdse geschiedenis van de Lentse Lus moet het stellen zonder huisplattegronden in de opgravingsputten. Mensen woonden en werkten wel in dit gebied zoals blijkt uit de overige grondsporen en hun teruggevonden afval. Gezien de waterputten lagen de opgravingsputten blijkbaar op de erven of in tuinen. In een smalle sleuf voor een riool is een kelder gevonden, maar dit opgravingsoppervlak was veel te klein om andere sporen in kaart te brengen. Het is echter niet verassend dat de hoeveelheid sporen vanaf 1500 na Chr. klein in aantal is. Het oppervlak van de Lentse Lus besloeg immers de loop van het kanaal de Grift, dat in de 19e eeuw werd vervangen door een weg, die sindsdien behoorlijk verbreed is en de Laauwickstraat, die beide twee grote li-neaire infrastructurele sporen tot verstoringen zijn. Maar ook lag er nog een pad of weggetjes zoals de Modder-straat, die in een van de rioolsleuven is gedocumenteerd. Al met al bieden die weinige sporen en het bijbehorende vondstmateriaal een zeer gefragmenteerde blik op de nieuwetijdse Lentse geschiedenis. Daarin zijn twee gebeurtenissen toch blikvangers, ook al representeren zij de zwarte bladzijden in de geschiedenis om dat het strijd en oorlog betreft. In vroegere tijden was wapenbezit niet ongewoon, in de zin dat ook burgers zich konden wapenen. De middeleeuwse zwaardschede die is gevonden op de Lentse Lus zal aan een man hebben toebehoord, die over enige middelen beschikte. Hij kon zijn zwaard steken in een schede die gezien mocht worden. In de loop van de middeleeuwen, en dat zet zich voort in de nieuwe tijd, wordt strijd steeds meer oorlog, worden legers omvangrijker, professioneler en in stand gehouden. De gevechten werden derhalve ook omvangrijker, zoals het verblijf van legereenheden ook opzichtiger werd. Bij dat laatste zal op de eerste plaats worden gedacht aan versterkingen zoals bijvoorbeeld de nabij gelegen schans Knodsenburg of bunkers zoals bij de brugovergangen over de Waal. Op de Lentse Lus zijn tientallen loden kogels gevonden van handvuurwapens zoals karabijnen en musketten. Een deel van die kogels is verschoten en tonen aan dat hier strijd is geleverd. Dit zal samenhangen met gevechten om schans Knodsenburg in te nemen, en die vonden plaats in 1585, 1591 en 1672. In 1585 werd schans Knodsenburg opgeworpen en tijdens die periode was een deel van de troepen ingekwartierd in Lent. Toen zij werden verdreven door de Spanjaarden met steun van de Nijmeegse bur-gerij, werden huizen in Lent in brand gestoken. Het is voorstelbaar dat de Staatse troepen die in Lent waren gele-gerd zich op het kruispunt van de Laauwickstraat en de weg vanaf het veer over de Waal hier een geïmproviseerde verschansing hadden opgeworpen. De Tweede Wereldoorlog is niet onopgemerkt voorbij gegaan aan de Lentse Lus. Directe aanwijzingen voor strijd zelf op de Lenste Lus zijn niet voor handen, maar Duitse troepen hadden zich hier ingegraven zoals blijk uit een bewaard gebleven Fahrbefehl dat is gevonden in een schuttersput. Nadat de Waalbrug was veroverd op 20 september 1944 hebben hier ook geallieerde troepen zich opgehouden en het is waarschijnlijk dat ze deze plek onder meer hebben benut voor klein onderhoud aan tanks.

De jaren 1585 en 1944 representeren minder fraaie gebeurtenissen in de Lentse geschiedenis. Het onderzoek op de Lentse Lus toont aan dat Lent vanaf de Karolingisch periode constant is bewoond, aanvankelijk door boerenfamilies die min of meer zelfvoorzienend waren maar al ras ontstonden specialisaties binnen die agrarische economie. Zoals een huishouden met een rosmolen op de Lentse Lus. Dankzij dit boerenbestaan ontwikkelend tot een agrarische economie konden de Lentenaren toegang krijgen tot consumptiegoederen. Daarbij zijn handel en markt onlosmakelijk verbonden begrippen. Gezien de ligging van het middeleeuwse Lent langs de Waal, langs een waterhoudende restgeul, bij de Waalovergang met Nijmegen, langs de weg en later het kanaal naar Arnhem waren Lentenaren betrokken bij vervoer, overslag en waarschijnlijk ook wel handel. De laatste twee decennia zijn vele archeologische onderzoeken verricht in en om Lent waarbij vele vondsten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd aan het licht zijn gekomen. Daartoe behoort ook dit onderzoeksverslag over de opgravingen op de Lentse Lus. Hopelijk is het binnenkort een keer mogelijk al deze onderzoeken samen te bren-gen en voor Lent een archeologische middeleeuwse en nieuwetijdse geschiedenis te schrijven.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-2bp-h5hn
PID https://nbn-resolving.org/urn:nbn:nl:ui:13-lk-6fdw
Source https://nbn-resolving.org/urn:nbn:nl:ui:13-lk-6fdw
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:158445
Provenance
Creator Brussé, S. (gemeente Nijmegen); Koot, C.W. (gemeente Nijmegen)
Publisher gemeente Nijmegen
Contributor Beurden, L. van; Damen, H.; Hemert, J. van; Jurgens, S.M.; Komen, M.C.M.; Kerckhove, J. van; Meijer, Y.; Pelsdonk, J.; Smits, E.; Venner, G.H.A.; Nijmegen, GEMEENTE; gemeente Nijmegen (gemeente Nijmegen)
Publication Year 2020
Rights info:eu-repo/semantics/openAccess; License: http://creativecommons.org/licenses/by/4.0; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Representation
Language Dutch; Flemish
Resource Type Dataset
Format application/pdf; image/jpeg; text/xml; Acrobat PDF; Microsoft Office; Mapinfo; application/x-cmdi+xml
Discipline Archaeology
Spatial Coverage (5.862 LON, 51.863 LAT); Netherlands