Bewoningssporen uit de Volle Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd op de Beekse Akkers bij Beek en Donk, gemeente Laarbeek Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 36 Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 36

DOI

Zowel bij het proefsleuvenonderzoek als de opgravingen op de Beekse Akkers stond het micro-regionale perspectief voorop. Hoewel het onderzoek in de eerste plaats is ingegeven door een bedreiging van het bodemarchief - de ontwikkeling van een woonwijk - zijn de onderzoeksstrategie, de waardering en selectie sterk bepaald door inhoudelijke overwegingen. De opdrachtgever kon er op vertrouwen dat de uitvoerder niet zou overgaan tot wetenschappelijke ‘Spielerei’ op grond van een goede samenwerking in het verleden, ruggespraak met de provinciaal archeoloog en - voor het vlakdekkend onderzoek – het afspreken van een taakstellend budget. Het is algemeen bekend dat in de micro-regio Laarbeek al het nodige archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Met name over de bewoningsgeschiedenis en de ontwikkeling van het cultuurlandschap in de Romeinse tijd, Vroege en Volle Middeleeuwen is veel kennis verzameld via opgravingen en veldverkenningen. Onderzoek op de Beekse Akkers zou interessante aanvullende en nieuwe gegevens kunnen opleveren omdat we hier te maken hebben met een oud akkercomplex vlak bij de Oude Toren. Via opgravingen in de jaren ’90 was komen vast te staan dat rond het voormalige kerkterrein sprake was van bewoning uit de IJzertijd, de Vroege en Volle Middeleeuwen en vermoedelijk ook uit de Romeinse tijd. Vanuit de interesse voor de landschappelijke context van archeologische vindplaatsen, heeft het ACVU voorgesteld zelfs proefsleuvenonderzoek te verrichten aan de zuid en oostzijde van het plangebied, waar het terrein van oorsprong altijd vochtiger is geweest. Inderdaad bleek het genoemde terreindeel geen archeologische vindplaatsen te herbergen. Een deel had een dunne akkerlaag en kan betrekkelijk laat ontgonnen zijn (denk aan het toponiem Beekerheide). Hier was het mogelijk een reeks geplande proefsleuven te laten vervallen. Andere stukken aan de zuidzijde van het plangebied kenden weliswaar een dik plaggendek, maar blijkens de vondst van een zandweg met baksteenfragmenten in de karrensporen was de akkerlaag ook hier van vrij recente datum (op z’n vroegst 15de/16de eeuw). De dikte van het plaggendek lijkt vooral verband te houden met de wens de akkers door ophoging droger te maken. Nadat de nodige gegevens over de bodem, het akkerdek en oude karrensporen en perceelsgrenzen waren verzameld, kon verder onderzoek van de zuid- en oostrand van het plangebied achterwege blijven. Hetzelfde geldt voor vindplaats A, meer naar het centrum van het terrein toe. Hier kan weliswaar Romeinse bewoning van enkele ‘losse’ boerderijen hebben gelegen, maar het voor onderzoek beschikbare terrein was vernield door diepspitten terwijl een ander deel onder bebouwing en erfverharding lag. De noordwestelijke hoek van het terrein (vindplaats B/E) was interessanter omdat hier bewoningssporen uit de Volle Middeleeuwen werden aangetroffen. Elders zouden deze sporen laag gewaardeerd zijn en niet nader onderzocht vanwege een slechte conservering: op het terrein lagen honderden bodemverbeteringsgreppels (‘bedden’), die een aantal gebouwplattegronden danig hadden verminkt. Onze werkhypothese was echter dat het hier ging om wat meer verspreide bewoning, die een contrast vormde met de meer geclusterde erven rond de Oude Toren. Het betrekkelijk dunne akkerdek en de vele ‘bedden’ deden denken aan een wat marginaler deel van het opgravingsterrein Lieshout-Beekseweg. Wellicht was het noordwestdeel van het onderzoeksgebied alleen gebruikt tijdens een fase van agrarische expansie en pas lang nadien weer herontgonnen. Na opgraving en uitwerking lijkt de bewoning uit de Volle Middeleeuwen van vindplaats B inderdaad thuis te horen in de latere 12de en 13de eeuw, dus het hoogtepunt van een ontginningsgolf. Dat de ondergrond weinig vruchtbaar was, blijkt uit het lage leemgehalte van het dekzand (overigens is dit ook elders in de micro-regio doorgaans vrij laag) én de brokken/kluiten van een humuspodzol in de paalkuilen en onderin de ‘bedden’. Helaas is het niet helemaal duidelijk geworden of het terrein van vindplaats B na de Volle Middeleeuwen inderdaad niet meer als akker is gebruikt, dat slechts delen in gebruik waren of dat hier extensief gebruikt driesland lag dat met lange tussenpozen werd bebouwd. We konden slechts vaststellen dat het vondstmateriaal uit de ‘bedden’ overwegend in de 15de/16de eeuw dateert maar deels zelfs jonger is, tot laat 18de/19de eeuws. De bedden zijn schijnbaar in laatstgenoemde periode gegraven als bodemverbeteringsmaatregel. De oudere vondsten kunnen aangeven vanaf wanneer het terrein (weer) als akker in gebruik was, maar het kan hier ook terecht zijn gekomen toen ‘zwarte grond’ van een ander deel van het akkercomplex is aangevoerd. De twijfel over het al dan niet verlaten van de akkers na de Volle Middeleeuwen is gevoed door de resultaten van het onderzoek van vindplaats C. Deze vindplaats op een lager terreindeel in het noordoosten van het plangebied is aangesneden in één proefsleuf en leverde aanvankelijk alleen 17de-eeuws en jonger materiaal op. Een nader onderzoek van deze vindplaats paste in de recent opgekomen belangstelling voor de laat- en post-middeleeuwse rurale bewoning in Zuid-Nederland. Overal is vastgesteld dat de bewoning vanaf de 13de eeuw van de hoger gelegen akkerarealen verschoof naar de flanken van dekzandruggen. De resten van jongere huizen worden verondersteld archeologisch onzichtbaar te zijn door het bouwen op poeren/stiepen en de ligging onder de historische dorpen en gehuchten. Er zijn in het verleden echter veel te weinig pogingen ondernomen de ideeën omtrent de laat-middeleeuwse en nieuw-tijdse bewoning te testen, terwijl ook blijkt dat veel voormalige erven wel in het voor archeologen makkelijk te betreden ‘vrije veld’ liggen. Het ‘experiment’ eens een jonger erf te onderzoeken is in zeker opzicht succesvol geweest. Hoewel deels door gelukkig toeval - de aanwezigheid van twee onderheide poeren in oudere sporen - bleek het mogelijk de plaats en afmetingen van het hoofdgebouw min of meer te bepalen. Het hout van de heipalen leverde goede dendrodateringen op en er was sprake van een reeks waterputten, kuilen en greppels met relatief veel vondstmateriaal (waaronder bijzondere houten voorwerpen). Tegelijk werd echter duidelijkdat het goed onderzoeken van de sporen veel tijd zou vergen en bovendien vroeg om een groter opgravingsvlak. Helaas was dit laatste niet te realiseren, want het terrein werd aan drie zijden omgrensd door singels en wegen. Het noordelijk deel van het erf ligt heden ten dage onder de Lieshoutseweg en de rand van Beek. Een groter opgegraven areaal had het misschien mogelijk gemaakt patronen te herkennen in de honderden paalkuilen op het erf. Zeker was een beeld ontstaan van het erf in de vroegste fase - structuren met oudere vondsten als 403 en 407 liggen in het noorden - en de jongste fase (19de/20ste eeuw). Voor de toekomst kan worden gesteld dat onderzoek van jongere erven zeker potentieel heeft, maar wel om voldoende middelen en grote opgravingsarealen vraagt. Het oudste aardewerk van vindplaats C dateert in de late 13de en vooral 14de/15de eeuw en dit voedt de twijfel over het extensieve gebruik van de locatie van vindplaats B/E in de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Binnen het door ons onderzochte deel van de Beekse Akkers lijkt sprake van bewoningscontinuïteit tussen de Volle en Late Middeleeuwen, zonder direct te willen beweren dat de bewoners van vindplaats B op vindplaats C zijn gaan wonen. We kunnen verder echter alleen vaststellen dat de boer op vindplaats C in het begin van de 19de eeuw een perceel direct ten westen van het Berkendijkje in gebruik had. Hoe lang voordien dit al werd bebouwd is onbekend. Over het al dan niet bestaan van gebruikscontinuïteit van de percelen rond de boerderijen van vindplaats B blijft weinig concreets te zeggen.

Identifier
DOI http://dx.doi.org/doi:10.17026/dans-xn8-vkgq
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:100996
Provenance
Creator Hiddink, H.A.
Publisher Data Archiving and Networked Services (DANS)
Contributor Ostkamp, S.;VUhbs archeologie
Publication Year 2018
Rights info:eu-repo/semantics/openAccess
Contact ArcheoSpecialisten;Ostkamp, S.;VUhbs archeologie
Representation
Language Dutch
Resource Type Dataset
Format application/pdf
Coverage
Discipline Not stated
Spatial Coverage {" "}
Temporal Coverage Begin 2009-07-01T11:59:59Z
Temporal Coverage End 2018-05-30T11:59:59Z