Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (12752.001) Loostraat 35 te Loo (Gld.)

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden vanaf de Late-IJzertijd. Het plangebied ligt namelijk binnen de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk. Deze meandergordel/stroomgordel was actief tussen circa 150 voor Chr. tot circa 95 na Chr. (Late-IJzertijd t/m Vroeg-Romeinse tijd). Afzettingen die gesedimenteerd zijn voordat de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk ontstond, zijn geërodeerd. Met het ontstaan van de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk, en daarmee de vorming van hoger gelegen kronkelwaardruggen, oeverwallen en crevassen, kreeg het plangebied wel een gunstige ligging voor bewoning. Tevens werd een dunne afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen (< 50 cm dik) verwacht, wat het gevolg is van dijkdoorbraken langs de Oude Rijn, welke ten westen van Loo hebben plaatsgevonden. Deze dijkdoorbraken hebben veelal in de Late-Middeleeuwen plaatsgevonden. Uitgevoerde archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied hebben tot op heden geen duidelijke aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat verder zien dat het plangebied vanaf in ieder geval het begin van de tweede helft van de 18e eeuw in agrarisch gebruik was en pas in de tweede helft van de 20e eeuw bebouwd is geraakt, deel uitmakend van een terrein van een basisschool.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) bevestigd de ligging binnen de meandergordel/stroomgordel van Meinerswijk. Er zijn oever-/kronkelwaard- op beddingafzettingen aangetroffen, waarbij zich in de top van nature een kalkhoudende ooivaaggrond heeft ontwikkeld. Een afdekkende laag overslaggronden/dijkdoorbraakafzettingen is niet aangetroffen of kon simpelweg niet worden onderscheiden ten gevolgen van het verstoorde deel van de bodemopbouw en dat er tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden ook sprake was van een zeer uitgedroogde bodem. Recente bodemverstorende ingrepen reiken tot een gemiddelde diepte van 60 cm -mv, waar tot op deze diepte fijne resten recent baksteen- en betonpuin zijn aangetroffen. De verstoringsdiepte is echter niet in die mate dat verwacht mag worden dat het archeologisch potentiële sporenniveau volledig is verstoord. De karterende fase van het booronderzoek heeft geen archeologisch relevante indicatoren opgeleverd. Ook zijn er geen antropogeen beïnvloede bodemlagen aangetroffen, welke kunnen duiden op de aanwezigheid van een door de mens gevormde oude cultuurlaag/oude woongrond.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat voor het plangebied, op basis van het ontbreken van archeologische indicatoren die kunnen duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, de hoge verwachting bijgesteld dient te worden naar geen verwachting. De hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten, van complextypen in de vorm van een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) en/of van afvuldumps (daterend vanaf de Late-IJzertijd), wordt hiermee niet bevestigd.

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het plangebied geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Er is sprake van enige mate van verstoring van de oorspronkelijke bodemopbouw. Verder zijn in het onverstoorde deel van de bodemopbouw geen archeologische indicatoren aangetroffen dan wel archeologische lagen waargenomen.

Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Duiven en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (aanvullende beoordeling archeologisch rapport door de heer drs. J. Habraken, Regioarcheoloog regio Arnhem e.o., d.d. 9 juli 2020). Met bovenstaand advies is ingestemd.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Identifier
DOI http://dx.doi.org/doi:10.17026/dans-25b-rzcr
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:178545
Provenance
Creator Broeke, E.M. ten
Publisher Econsultancy
Contributor Broeke, E.M. ten;ir. E.M. ten Broeke (Econsultancy)
Publication Year 2020
Rights info:eu-repo/semantics/restrictedAccess;License: http://dans.knaw.nl/en/about/organisation-and-policy/legal-information/DANSLicence.pdf
Contact Econsultancy;Broeke, E.M. ten;ir. E.M. ten Broeke (Econsultancy)
Representation
Language Dutch
Resource Type Text
Format application/pdf;.pdf
Discipline Archaeology
Spatial Coverage {" "}
Temporal Coverage {2020-07-15,2020-07-15,2020-07-15,2020-07-15}