De Pantherstellung en Valleistelling doorsneden Sporen uit de Tweede Wereldoorlog bij Knooppunt Hoevelaken Archeologisch bureauonderzoek en verwachtingskaart BAAC Rapport V-19.0317

DOI

In opdracht van Combinatie CA1|28 heeft het onderzoeks- en adviesbureau BAAC een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd naar resten en mogelijke vindplaatsen uit de Tweede Wereldoorlog binnen het aan te passen tracé van Knooppunt Hoevelaken.

Voor dit bureauonderzoek is uitsluitend een specifieke verwachting voor resten en vindplaatsen uit de Tweede Wereldoorlog opgesteld. De historische gegevens uit de historische vooronderzoeken naar niet gesprongen explosieven vormde de basis voor deze verwachtings- en advieskaart.1 Er is dan ook geen aanvullend archiefonderzoek uitgevoerd. De verwachte sporen en structuren zijn voor het onderzoek onderverdeeld in overkoepelende hoofdtypes die zijn onderverdeeld in verschillende subtypes. De resultaten uit dit bureauonderzoek zijn daarnaast verwerkt tot een verwachtings- en een advieskaart.

Uit het onderzoek blijkt dat binnen het plangebied tussen 1939 en 1945 veel structuren en complexen zijn aangelegd die samen tot een gelaagd militair landschap hebben geleid. De meeste typerende resten die binnen het plangebied aanwezig zijn, zijn in vier hoofdstructuren onder te verdelen: - Valleistelling (1939-1940): Nederlandse verdedigingslinie die grotendeels de oude Grebbelinie volgt en vanwege de Duitse dreiging in 1939-1940 opnieuw in stelling wordt gebracht. De linie groeide in deze periode uit tot het zwaartepunt van de verdediging van ons land en bestond onder andere uit de liniedijk met steunpunten en kazematten, tankgrachten en voorposten(linies). - Pantherstellung (1944-1945): Duitse verdedigingslinie die aan het eind van 1944 tot in 1945 werd aangelegd als verlenging van de Westwall. Deze linie volgde vanaf Arnhem grotendeels de noordelijke oever van de Rijn. Ten noorden van de Grebbelinie buigt de linie af richting Hoevelaken en Nijkerk. Hier kwam de linie in verbinding te staan met het IJsselmeer. Bestaat onder andere uit geschutsbunkers, veldversterkingen, tankgrachten en achter elkaar gelegen loopgravenstelsels. - Kamp Amersfoort (1941-1968): Kamp Amersfoort was naast Westerbork en Vught een van de grootste verzamel- en doorvoerkampen in Nederland. Het kamp bestaat uit verschillende individuele complexen die wel tot een functioneel geheel gerekend kunnen worden. Op het terrein worden ander andere resten van de verschillende gebouwen en barakken, loopgraven, veldversterkingen, afvalkuilen, (massa)graven, latrinekuilen, wachtposten, prikkeldraadomheining, tuinaanleg en ondergrondse kelders en tunneldelen verwacht - Luchtverdediging (1940-1945): Binnen het plangebied werden rondom belangrijke civiele en militair strategische locaties, zoals fabrieken, (spoor)wegen, bruggen en steden diverse lichte en zware luchtafweerbatterijen (Flakstellungen) aangelegd. De stellingen worden gekenmerkt door open beddingen voor het geschut, eventuele loopgravenstelsels, munitieopslagplaatsen, schuttersputten (Deckungslöchern), kabelsleuven, onderkomens en mitrailleur- en schuttersposities voor de nabijverdediging. - Bezetting algemeen: sporen die niet onder bovenstaande hoofdstructuren/thema’s geclusterd kunnen worden (o.a. bomkraters en Splitterboxen)

De archeologische resten van de vindplaatsen en structuren die in dit bureauonderzoek worden besproken kunnen direct vanaf het maaiveld worden verwacht. De diepte waarop deze resten zijn ingegraven varieert sterk. De meeste structuren zijn echter tot een diepte van maximaal 2 m beneden maaiveld ter verwachten, met een uitzondering van de funderingen van de Duitse geschutsbunkers van het type R703 en de verwachte tankgrachten. Voor Duitse tankgrachten geldt een maximale diepte van 3 tot 4 meter. De sporen die deels in kunstmatige aarden ophogingen zijn verwerkt (bijvoorbeeld de loopgraven van de Pantherstellung ten zuiden van Nijkerk) zijn naar verwachting slechts ondiep bewaard gebleven. De exacte diepte dient hiervan in het veld vast te worden gesteld. Deze kan op basis van de historische gegevens niet worden bepaald.

De te verwachten resten bestaan zowel uit vondstmateriaal (munitie, gebruiksmateriaal, bouwmateriaal e.d.) als uit sporen (loopgraven, funderingsresten e.d.). Hierbij dient te worden opgemerkt dat het vondstmateriaal uit zowel Duits, geallieerd (Canadees en Brits) en Nederlands gebruikt militair materiaal, als Nederlands civiel materiaal kan bestaan. De exacte aard is per subtype zeer specifiek. Door de oorlogshandelingen op en rondom het onderzoeksterrein dient tevens rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van explosieven en munitieartikelen. Deze zijn in het verleden al meermaals aangetroffen. De gaafheid en conservering van sporen en vondsten zijn vooralsnog onbekend.

Per verwachte structuur (subtype) is een specifiek advies opgesteld. Het advies is onderverdeeld in structuren waar archeologisch vervolgonderzoek wordt aanbevolen, waar selectief onderzoek wordt aanbevolen en waar geen nader onderzoek wordt aanbevolen. Voor de Steunpunten, infanteriesteunpunten, luchtafweerstellingen, Scheinwerferstellung, loopgraven- en loopgravenstelsels, voorposten, schuilkelders, tankgrachten, bunkers, kazematten, de liniedijk, Kamp Amersfoort en mobilisatiekampen geldt bij bodemverstorende activiteiten vanaf het maaiveld het advies vervolgonderzoek uit te laten voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (protocol IVO-P) met een mogelijke doorstart naar een opgraving. Voorafgaand aan dit onderzoek dienen de eisen, waaraan het onderzoek dient te voldoen, te worden vastgelegd in Programma van Eisen (PvE).

Selectief archeologisch vervolgonderzoek wordt aanbevolen voor wapenopstellingen, wegversperringen, Splitterboxen, uitkijkposten, oefenterreinen, de munitieopslag en dekkings-/eenmansgaten (Deckungslöcher). Hierbij wordt bij wapenopstellingen, wegversperringen, de uitkijkpost en de munitieopslag aanbevolen een archeologische begeleiding (protocol opgraven) van de civieltechnische werkzaamheden uit te voeren bij bodemverstorende activiteiten vanaf het maaiveld. Voor de Splitterboxen en dekkins-/eenmansgaten is het aan te bevelen een selectie te maken van de te onderzoeken sporen, zodat de constructie en vorm gedocumenteerd kunnen worden zonder dat deze hele zones dienen te worden opgegraven. Integraal opgraven van deze structuren heeft binnen het plangebied geen meerwaarde. Bij bodemverstorende activiteiten ter hoogte van het voormalige oefenterrein wordt door de zeer grote omvang van het terrein en de grote spreiding van de activiteiten vervolgonderzoek alleen aanbevolen als grote delen van het oppervlak verstoord worden.

Vervolgonderzoek wordt niet aanbevolen voor de tientallen bomkraters binnen het plangebied. Door de generieke aard van deze sporen en het feit dat de sporen in niet dicht bebouwde zones zijn gelegen en hier nagenoeg geen langdurige gevechtshandelingen hebben plaatsgevonden, wordt verwacht dat er zeer weinig vondstmateriaal in deze structuren aanwezig is. Daarnaast zijn deze sporen vaak uitgebreid gedocumenteerd in de archieven van de EODD, waardoor de additionele informatiewaarde gering is.

Identifier
DOI http://dx.doi.org/doi:10.17026/dans-z67-2tkj
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:161405
Provenance
Creator Warmerdam, N.W.T.
Publisher BAAC
Contributor Combinatie CA1|28;BAAC
Publication Year 2020
Rights info:eu-repo/semantics/restrictedAccess;License: http://dans.knaw.nl/en/about/organisation-and-policy/legal-information/DANSLicence.pdf
Contact Combinatie CA1|28;BAAC
Representation
Language Dutch
Resource Type Text
Format .pdf;application/pdf
Coverage
Discipline Archaeology
Spatial Coverage {" "}
Temporal Coverage {2020-04-06,2019-12-20,2020-04-06}