Eindrapportage IVO-P en AB WOII structuren (8004.002) Onderzoeksgebieden 2 en 3 Rondweg N345 te De Hoven

Resultaten en conclusie proefsleuvenonderzoek en archeologische begeleiding De overgang van waar een verlande meander van de Gelderse IJssel overgaat in het Pleistocene dekzandlandschap is zowel in de bodemopbouw als in de aangelegde vlakken van proefsleuven goed zichtbaar in het centrale deel van onderzoeksgebied 2. Het noordoostelijke deel van onderzoeksgebied 2 ligt binnen de Emper meander en specifiek binnen een verlande restgeul, waar een dik pakket zwaar getextureerde komafzettingen/restgeulafzettingen voorkomen. Het centrale en zuidoostelijke deel van het onderzoeksgebied ligt op een bewaard gebleven dekzandrug, waar (verspoelde) dekzandafzettingen liggen. Deze zijn deels bedekt met een in zuidelijke richting snel dunner wordende/uitwiggende laag komafzettingen/restgeulafzettingen.

De erosieve grens tussen deze twee type sedimenten geeft aan dat een deel van de dekzandafzettingen zijn weggeslagen. Waarschijnlijk heeft dit plaatsgevonden tijdens de vorming van de Emper meander. Deze meander bestond al vóór 900 na Chr. en zal na 1406/07 niet meer actief water hebben vervoerd, op basis van een eerder opgestelde hypothetische fasering van de rivierlopen van de Gelderse IJssel gedurende de Volle- en Late-Middeleeuwen.

Er kan gesteld worden dat het zuidoostelijke deel van onderzoeksgebied 2 op een bewaard gebleven dekzandrug ligt. De aanwezigheid van een vanaf het maaiveld circa 60 cm dikke laag van zwak humeuze, matig siltige klei duidt op een opgebracht plaggendek. Waarschijnlijk zijn kleiige grasplaggen gebruikt, welke zijn vermengd met de oorspronkelijke top van de (verspoelde) lemige dekzandafzettingen. De vermenging van matig siltige klei met matig tot sterk siltig, zeer fijn zand resulteert in een huidige textuur van sterk zandige klei tot kleiig zand. Intensieve agrarische bewerking heeft geresulteerd in een hoge enkeerdgrond, waarbij de opeenvolging van bodemhorizonten feitelijk niet meer betreft dan een dik plaggendek/intensief bewerkte, zwak humeuze bovengrond met direct hieronder de overgang naar het oorspronkelijk moedermateriaal (dekzandafzettingen dan wel nog een deel overstromingsklei liggend op dekzandafzettingen nabij de overgang naar de restgeul). De vondst van een fragment proto-steengoed uit de 13e eeuw kan gezien worden als opgebracht aardewerk en beschouwd worden als een indicatie vanaf wanneer plaggenbemesting plaatsvond.

In het zuidoostelijke deel van onderzoeksgebied 2, op de hogere delen van een restant van een dekzandrug, is in werkput 3 één archeologisch spoor aangetroffen, een kuil met hierin twee fragmenten vuursteen en waarbij een C14-analyse van de houtskoolrijke onderste vulling een datering heeft opgeleverd van 2290 tot 2134 v. Chr. (Laat-Neolithicum B). Zonder een duidelijke vindplaatscontext (het gaat om slechts één enkel spoor) is de aard van het spoor moeilijk te duiden, echter de functie als haardkuil lijkt meest waarschijnlijk. In een andere werkput (werkput 6), echter ook landschappelijk gelegen binnen de dekzandrug, zijn enkele natuurstenen aangetroffen. Eén van de zandstenen vertoond op twee oppervlakken sporen van bewerking die mogelijk wijzen op gebruik als slijpblok. Verder zijn op een in drie stukken gebroken kwartistische zandsteen aan het oppervlak zwarte ‘pitten’ zichtbaar, wat mogelijk een aanwijzing is voor mechanische verwering. Het gaat hierbij om een manuport, een mogelijk bewerkte steen waarvan het specifieke gebruik niet meer kan worden achterhaald. De stenen zonder gebruiksporen hebben wellicht gefunctioneerd als gewicht om iets op zijn plaats te houden (bijvoorbeeld de huiden bedekking van een hut/slaapplaats). Het verder ontbreken van archeologische sporen is wellicht het resultaat van intensieve agrarische bewerking en/of plaggenbemesting, waarbij plaggen met oorspronkelijke top van de dekzandafzettingen met elkaar zijn vermengd. Hier kunnen voorheen aanwezige ondiepe sporen al zijn vernietigd. Er hebben menselijke activiteiten plaatsgevonden, echter het verder ontbreken van vondstmateriaal is mogelijk te verklaren doordat er sprake is geweest van een (zeer) kortstondige activiteit. Dat het zou kunnen gaan om de randzone van een vindplaats wordt minder waarschijnlijk geacht bij de functie van de kuil als haardkuil. Menselijke activiteiten zullen zich juist hebben geconcentreerd rondom deze haardkuil, ten denken aan het bereiden van voedsel en tijdelijk opslaan van een kampement. Uit de waardering volgens door de KNA voorgeschreven wijze blijkt dat deze vindplaats (waarvan wellicht niets meer over is aangezien de mogelijke haardkuil is afgewerkt) niet behoudenswaardig is.

Binnen de restgeul in het uiterst noordwestelijke deel van onderzoeksgebied 2 zijn onder een 40 cm dik pakket matig siltige komklei systematisch naast elkaar gelegen ondiepe kuilen en een greppel aangetroffen. Het gaat hier om sporen van (vermoedelijke) kleiwinningskuilen/-putten die langs de buitenranden/grenszone van de betreffende Emper meanderarm van de Gelderse IJssel zijn uitgegraven. De afmetingen zijn realistisch voor een kleiwinningskuil die op 1 dag kon worden uitgegraven en waarbij de klei met kruiwagens in de smalle zones tussen de putten kon worden afgevoerd. Er is bekend dat er rondom Zutphen en nabij de loop van de Gelderse IJssel vanaf de 14e eeuw baksteenproductie in steenfabrieken heeft plaatsgevonden. Circa 1,2 kilometer ten noorden van het plangebied heeft de steenovenfabriek De Marsch gelegen (14e eeuw). Meest nabij het plangebied, op een afstand van circa 750 meter ten noordoosten van het plangebied, heeft langs de Kanonsdijk ook een steenfabriek gestaan die in 1595 gebouwd is.

De greppel zal gediend hebben voor afwatering om de kleiwinning te vergemakkelijken. Deze restgeulafzettingen/pakketten overstromingsklei waren prima geschikt als grondstof voor de baksteenindustrie. De kleiwinningsputten lijken na het uitgraven weer vrij snel volgesedimenteerd te zijn met natuurlijke afzettingen (komklei) tijdens perioden dat de Gelderse IJssel buiten zijn oevers trad en het gebied overstroomde. De vlakaanleg heeft binnen de contouren van de kleiwinningsputten heeft geen vondstmateriaal opgeleverd. De afwateringsgreppel bevatte wel een grijsbakkende dakpan en een deel van een handgevormde baksteen die passen in de perioden van de 1550 tot 1850 na Chr. (16e tot 19e eeuw), een periode waarbij baksteenovens op volle toeren bouwmateriaal produceerde en er redelijk nabij het plangebied ook een tweetal (bak)steenovens aanwezig waren.

In onderzoeksgebied 3 hebben afgravingen/egalisatiewerkzaamheden plaatsgevonden, wat op basis van het hoogtebeeld ook al werd vermoed. De bodemopbouw betreft niet meer dan een humeuze, moderne bouwvoor met direct hieronder dekzandafzettingen (C-horizont). Dit deel van het plangebied ligt dus wel binnen het dekzandlandschap, maar is al ten prooi gevallen aan afgravingen/egalisatie. Indien de vindplaats die ten noordwesten van de Baankstraat is aangetroffen (waarlangs tevens door afgravingen een steilrand is ontstaan) doorloopt in zuidoostelijke richting, zal deze binnen onderzoeksgebied 3 ook volledig zijn verwijderd. Het archeologisch niveau bevindt zich ten noordwesten van de Baankstraat (in het zuidoostelijke deel van onderzoeksgebied 2) op een hoogte van circa 6,3 m +NAP, terwijl binnen onderzoeksgebied 3 de top van de C-horizont direct onder huidige bouwvoor zich bevindt op een hoogte van circa 5,6 m +NAP. Daarmee is binnen onderzoeksgebied 3 zeker 70 cm van oorspronkelijke C-horizont al afgegraven. Enkele in de werkputten binnen onderzoeksgebied 3 aangetroffen sporen van systematisch en evenwijdig aan elkaar gelegen drainagesleuven, perceleringsgreppels en afrasteringspalen (waarvan een aantal duidelijk vierkant), zijn gerelateerd aan het (moderne) agrarisch gebruik van het terrein. Deze sporen zullen ook pas zijn gevormd nadat afgraving/egalisatie had plaatsgevonden en worden dan ook verder niet beschouwd als een archeologisch relevante sporen. Historisch kaartmateriaal laat zien dat onderzoeksgebied 3 in de laatste 150 jaar ook alleen maar een agrarisch gebruik heeft gekend.

De archeologische begeleiding NGE ter plaatse van een verdedigingswerk uit de Tweede Wereldoorlog, gelegen direct langs het Tondense Enkpad en in het gebied tussen de zuidelijk gelegen spoorlijn Arnhem-Zutphen en de noordelijk gelegen spoorlijn Apeldoorn-Zutphen, heeft geresulteerd in het aantreffen van een halfronde greppel en twee vrij forse en diepe kuilen. De uitgegraven grond uit de halfronde greppel kan wellicht gebruikt zijn voor de aanleg van een verdedigingswal (bescherming van wellicht luchtafweergeschut). Bij één van de diepe kuilen is langs de buitenzijde houtbeschot ter versteviging van wanden van de kuil en er is in de uitstulping aan de kuil een getimmerde constructie van houten planken aangetroffen, rustend op houten paaltjes en waarbij de paaltjes op hun plaats werden gehouden door een paar machinaal vervaardigde bakstenen met afmetingen van 21,5x10x5 cm. De functie als vloertje is meest waarschijnlijk, om daarmee ook de toegang tot de kuil via de uitstulping in stand te houdend. Daarmee lijken de kuilen als schuilonderkomen te hebben gefungeerd, echter voor de andere kuil is het gebruik als opslagplaats, voor bijvoorbeeld munitie, ook een mogelijkheid. Er zijn verder geen andere vondsten gedaan, maar gezien de ligging daar waar het de spoorlijn Arnhem-Zutphen en Apeldoorn-Zutphen bij elkaar komen (niet ver ten oosten), is de functie van de verdedigingswerken ten behoeve van het opereren van luchtafweergeschut de meest voor de hand liggend.

Advies Uit de waardering volgens door de KNA voorgeschreven wijze blijkt dat zowel de aangetroffen vermoedelijke haardkuil in het zuidoostelijke deel van onderzoeksgebied 2 en de kleiwinningskuilen in het uiterst noordwestelijke deel van onderzoeksgebied 2 behoudenswaardig zijn. Uitgangspunt van de KNA is om de vindplaatsen in situ te behouden. Hiervan is sprake wanneer in het zuidoostelijke deel van onderzoeksgebied 2 (ten noorden van het Tondense Enkpad) geen bodemverstorende ingrepen worden uitgevoerd die dieper gaan dan 30 cm, waarmee een bufferzone wordt gehanteerd van 30 cm van de humeuze bovenlaag/bovengrond. In het uiterst noordwestelijke deel van onderzoeksgebied 2 is hiervan sprake wanneer bodemverstorende ingrepen beperkt blijft tot de reeds aangelegde laag cunet-/bouwzand met een dikte van circa 60 cm. Ook dan kan een bufferzone worden gehanteerd van 30 cm van de afdekkende laag overstromingsklei boven de kleiwinningskuilen.

Indien behoud in situ niet mogelijk is (bij geplande bodemingrepen die dieper gaan dan 30 cm in het zuidoostelijke deel van onderzoeksgebied 2 en dieper dan 60 cm in het uiterst noordwestelijke deel van onderzoeksgebied 2) is vervolgonderzoek noodzakelijk om de aanwezige archeologische waarden veilig te stellen voorafgaand aan bodemverstorende activiteiten in het plangebied.

De haardkuil is direct afgewerkt tijdens het proefsleuvenonderzoek. De vraag rijst of er daarmee nog wel sprake is van een vindplaats, gezien het enigste aantroffen spoor in het zuidoostelijke deel van onderzoeksgebied 2. Verwacht wordt dat een deel van het archeologisch sporenniveau al is verstoord en daarmee eventueel voorheen aanwezige ondiepe sporen al zijn vernietigd. Dieper doorlopende sporen kunnen buiten de begrenzing van de proefsleuven nog wel deels intact worden verwacht. Deze zijn wellicht in beperkte mate (zeer lage dichtheid) aanwezig, maar kunnen wel informatiewinst opleveren ten aanzien van het complextype van de vindplaats. Geadviseerd wordt binnen het zuidoostelijke deel van onderzoeksgebied 2 en in eerste instantie specifiek binnen de contour van 10 meter rondom de werkputten 3 en 6 (circa 2.500 m², zie bijlage 2a) een archeologische opgraving te la¬ten uitvoeren (mogelijk als variant archeologische begeleiding van de civieltechnische graafwerkzaamheden). Afhankelijk van de resultaten van deze opgraving kan in overleg met de bevoegde overheid en opdrachtgever besloten worden of uitbreiding van de opgraving noodzakelijk is.

Ten aanzien van de kleiwinningskuilen in het uiterst noordwestelijke deel van onderzoeksgebied 2 zal aanvullend onderzoek zeer waarschijnlijk geen substantiële nieuwe informatie opleveren over deze vindplaats. Binnen de begrenzing van de kuilen is geen vondstmateriaal aangetroffen en de kans erop wordt klein geacht, gezien de verwachte kortstondige activiteit die zich ook continu zal hebben verplaatst. Tevens is de verwachting dat de kleiwinningsputten buiten de aanlegde proefsleuf er niet veel anders uit zullen zien, bij een systematische opeenvolging van kleiwinningskuilen die in een vrij kortstondige periode zijn gegraven en vervolgens weer zijn opgevuld met natuurlijke komklei tijdens perioden van opeenvolgende overstromingen. Het advies is dan ook om geen vervolgonderzoek uit te voeren in het uiterst noordwestelijke deel van onderzoeksgebied 2. Verder wordt vrijgave geadviseerd voor het centrale deel van onderzoeksgebied 2 als voor het gehele onderzoeksgebied 3, op grond van het ontbreken van archeologische waarden.

De rapportage is beoordeeld door de deskundige namens de bevoegde overheid en stemt in met het advies voor vervolgonderzoek in het zuidoostelijke deel van onderzoeksgebied 2, waar de laat-neolithische vermoedelijke haardkuil is aangetroffen. Wel is aangegeven dat voor een groter gebied een archeologische opgraving nodig is. Dit gebied dient niet in één keer vlakdekkend maar in fases te worden opgegraven, waarbij na iedere fase bekeken wordt, in overleg met de bevoegde overheid, of de volgende fase nodig is. Voor het uitvoeren van een archeologische opgraving is een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen nodig. In dit Programma van Eisen moet in ieder geval: • bij het opstellen van de onderzoeksvragen een relatie gelegd worden met andere Laat Neolithische vondsten in Brummen; • een opgravingsstrategie worden opgenomen die de hierboven beschreven fasering mogelijk maakt.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten binnen de vrij te geven delen van de onderzoeksgebieden kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van OCW (de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed: ARCHIS-meldpunt, telefoon 033-4227682), de gemeente Brummen of de provincie Gelderland.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-2c9-vrp7
PID https://nbn-resolving.org/urn:nbn:nl:ui:13-xg-8nq0
Source https://nbn-resolving.org/urn:nbn:nl:ui:13-xg-8nq0
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:180511
Provenance
Creator Broeke, E.M. ten (Econsultancy)
Publisher Econsultancy
Contributor Broeke, E.M. ten; ir. E.M. ten Broeke (Econsultancy)
Publication Year 2020
Rights info:eu-repo/semantics/openAccess; License: http://dans.knaw.nl/en/about/organisation-and-policy/legal-information/DANSLicence.pdf
OpenAccess true
Representation
Language Dutch; Flemish
Resource Type Text
Format application/pdf
Discipline Archaeology
Spatial Coverage (6.174 LON, 52.138 LAT); Vindplaatsen 2 en 3 Rondweg N345; Brummen; Gelderland