Archeologisch vooronderzoek in het kader van herinrichting aan de Van Alphenstraat 62 te Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg

DOI

Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd voor een plangebied aan de Van Alphenstraat 62 in de gemeente Leidschendam-Voorburg. Binnen het plangebied is de herontwikkeling voorzien van autobedrijven naar woningbouw in combinatie met bedrijfsunits. Binnen het plangebied zijn momenteel autobedrijven gevestigd. Het plangebied beslaat 0,2 hectare. In totaal zullen hiervan 1260 m2 worden bebouwd. Voor de herontwikkeling zal de bestaande bebouwing gesloopt worden. Daarnaast zal de bestaande fundering verwijderd en vervangen worden, tot een diepte van 1,0 m-mv. Er zal geen onderkeldering plaatsvinden. Er worden 81 heipalen geslagen tot minimaal 5,0 m-mv.

Doel van het archeologisch vooronderzoek is vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid.

Op basis van de resultaten van dit bureauonderzoek geldt voor het plangebied een lage verwachting voor archeologische resten tot 2,00-2,50 m-mv. Het plangebied was tot begin 20e eeuw onderdeel van de Veenpolder ten zuiden van Den Haag. Bij de ontwikkeling van het plangebied zijn ophogingslagen aangebracht bovenop het aanwezige Hollandveen. Deze veenlaag bevindt zich tussen 2,50-3,50 m-mv. Daaronder bevinden zich waarschijnlijk afzettingen behorende tot het Laagpakket van Wormer, Formatie van Naaldwijk, op 3,50-4,00 m-mv. Voor het Hollandveen en de Wormer-afzettingen geld een middelhoge archeologische verwachting. In een eventueel intacte veraarde top van het Hollandveen kunnen resten (nederzettingssporen -inclusief aardewerk- of anderszins sporen van exploitatie van het landschap) uit de Bronstijd t/m begin van de IJzertijd aangetroffen worden. Eventueel in de Wormer getijdenafzettingen aanwezige vegetatiehorizonten, mogelijk met houtskoolspikkels, kunnen een aanwijzing vormen voor menselijk activiteit vanaf het Neolithicum tot aan de Bronstijd. Mogelijke archeologische resten in de Wormerlaag zijn sporen van tijdelijke bewoning, vuursteen, verbrande noten et cetera. Onder de Wormer getijdenafzettingen bevinden zich strandvlakte-afzettingen tot 11,00 m-mv met een lage archeologische verwachting voor de periode Paleolithicum tot Neolithicum.

Het is mogelijk dat de bestaande bebouwing en saneringen voor een verstoring van het bodemprofiel heeft gezorgd. Er worden binnen het plangebied geen ondergrondse bouwhistorische waarden verwacht.

Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek heeft Vestigia Cultuurhistorie & Archeologie geadviseerd in eerste instantie het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen door middel van een verkennend booronderzoek. Door middel van een booronderzoek worden de fysisch-geografische en bodemkundige gegevens getoetst. Tevens heeft het booronderzoek tot doel vast te stellen in hoeverre de natuurlijke bodemopbouw verstoord is, en om vast te stellen of er archeologische indicatoren aanwezig zijn.

Aan de hand van het booronderzoek zijn voor zover mogelijk de volgende onderzoeksvragen beantwoord: - wat zijn de geo(morfo)logische en bodemkundige kenmerken van de ondergrond van het plangebied? - in hoeverre is de oorspronkelijke bodemopbouw intact met het oog op de eventuele aanwezigheid en gaafheid van archeologische vindplaatsen? - bevinden zich in de ondergrond van het plangebied archeologische indicatoren en zo ja, waaruit bestaan deze? - geven de resultaten van het veldonderzoek aanleiding tot vervolgstappen in het kader van de planontwikkeling in relatie tot de archeologische monumentenzorg?

Binnen het plangebied zijn in totaal 3 boringen gezet (boringen 3623001, -002 en -003), tot respectievelijk 4,00, 2,60 en 3,00 m-mv. In boring 2 moest de boring worden gestaakt op een diepte van 2,6 m-mv vanwege de aanwezigheid van een sub-recente een puinlaag (met kleine fragmenten kunststof). Tijdens het veldonderzoek is geconstateerd dat binnen het plangebied een ophoogpakket aanwezig is tot een diepte van 2,15 tot 2,60 m-mv. Daaronder is verstoring aanwezig, zeker tot een diepte van 2,70-2,80 m-mv, plaatselijk (boring 1) zelfs tot 3,40 m -mv. Hieronder is plaatselijk sprake van veen op klei, en elders alleen klei uit getijden afzettingen. In deze niveaus zijn geen kenmerken (zoals bodemvorming) aangetroffen die die duiden op geschiktheid voor menselijke activiteit en daarmee een grotere kans op de aanwezigheid van intacte archeologische vindplaatsen. Op basis van de boorresultaten kan worden gesteld dat binnen het plangebied de lage archeologische verwachting van de archeologische waarden- en verwachtingenkaart wordt bevestigd.

Advies

Op basis van de resultaten van dit bureau- en booronderzoek, wordt de kans dat bij de voorgenomen ontwikkelingen met vergravingen tot 1,0 m-mv een intacte archeologische vindplaats wordt geschaad, zeer klein geacht. Binnen het plangebied is de ondergrond namelijk verstoord tot een diepte van minimaal 2,70 m-mv. Onder de verstoringslagen zijn geen kenmerken van bodemvorming aangetroffen.

Verstoring van de diepere ondergrond zal plaatsvinden bij het slaan van de heipalen (81 stuks) tot minimaal 5,0 m-mv. Echter, de verstoringen door de heipalen gerelateerd aan de totale oppervlakte van de nieuwbouw, namelijk ca. 7,7 m2 (totale oppervlakte van alle heipalen, 57 x 1256,64 cm2 en 24 x 221,7 cm2) vs. ca. 1260 m2 (nieuwbouw), vormen geen disproportionele verstoring van de potentieel in de diepere ondergrond aanwezige archeologie. Uitgaande van een normaal verdubbeling van het verstoorde oppervlak als gevolg van het uitstralingseffect van het heien is de verstoring minder dan 2% van het totaaloppervlakte van de nieuwbouw. In Nederland wordt een verstoringsgraad van minder dan 2% als acceptabel gezien vanuit het perspectief van de archeologische monumentenzorg, zoals blijkt uit de Handreiking Archeologievriendelijk bouwen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De afstand tussen de palen bedraagt minimaal 4 m. Ook dit is binnen de normen zoals gesteld binnen deze leidraad.

In algemene zin zijn vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) niet noodzakelijk indien de ontwikkeling voldoet aan de Handreiking Archeologievriendelijk bouwen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Concreet:

• Uitgaande van de oppervlakte van palen, verstoren palen maximaal 2% van de oppervlakte van het bouwvlak van het huis. • Afstand tussen de palen(rijen) gerekend van rand tot rand bedraagt minimaal 4 m. • Typen palen gebruiken die de bodem zo weinig mogelijk verstoren. • Methode van inbrengen van palen gebruiken die de bodem zo weinig mogelijk verstoort.

Verder zijn voor deze specifieke locatie kelders of ontgravingen dieper dan 2,0 m-mv niet toegestaan. Aanwezige funderingspalen mogen niet verwijderd of getrokken worden.

Indien aan deze voorwaarden kan worden voldaan, worden, gezien de voorgenomen ontwikkeling (en bijbehorende bodemingrepen) en de lage specifieke archeologische verwachting, vervolgstappen in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) niet noodzakelijk geacht.

Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Leidschendam-Voorburg, om op basis van dit rapport en het hierin geformuleerde advies een besluit te nemen ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek of het beëindigen van het archeologisch onderzoeksproces.

Ook wanneer het plangebied op enig moment op basis van de resultaten van archeologisch onderzoek wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Leidschendam-Voorburg, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Identifier
DOI http://dx.doi.org/doi:10.17026/dans-xh9-fp4j
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:178495
Provenance
Creator Picard, E.R.J.G.;Puijenbroek, F.P.J. van;Satijn, O.P.N.
Publisher Data Archiving and Networked Services (DANS)
Contributor Vestigia
Publication Year 2020
Rights info:eu-repo/semantics/openAccess;License: http://creativecommons.org/publicdomain/zero/1.0
Contact Vestigia
Representation
Language Dutch
Resource Type Text
Format application/pdf
Discipline Archaeology
Spatial Coverage {" "}
Temporal Coverage {2020-07-13,2020-06-25,2020-07-13}