Archeologisch vooronderzoek in het kader van de herinrichting van de N264 in Sint-Hubert, gemeente Mill en Sint Hubert

DOI

Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor een plangebied in de gemeente Mill en Sint Hubert (kaart 1; afbeelding 1). De opdrachtgever is betrokken bij de herinrichting van de N264 ter hoogte van de Pastoor Jacobsstraat.

Het project N264 Sint Hubert omvat de volgende ingrepen: - het verleggen van rijweg, fiets- en voetpaden - het verbreden van rijweg, fiets- en voetpaden - het herinrichten van verkeerskruisingen - het aanbrengen van verkeersremmende obstakels - het aanleggen van nieuwe riolering tot een maximale ontgravingsdiepte van 2 m-mv - nog onbekende ingrepen benoorden de kruising Pastoor Jacobsstraat/Kievitsdwarsweg

Doel van het archeologisch bureauonderzoek was vast te stellen of er in het plangebied sprake is (of kan zijn) van archeologische resten die door de ingrepen verstoord dreigen te worden en, indien mogelijk, uitspraken te doen over de waarde hiervan in termen van fysieke en inhoudelijke kwaliteit zoals zeldzaamheid en gaafheid.

Het bureauonderzoek toont aan dat het plangebied op basis van het landschap een middelhoge en hoge archeologische verwachting heeft. Binnen het plangebied zijn zowel gooreerdgronden (in het westelijke deel van het plangebied) als hoge zwarte enkeerdgronden (in het oostelijke deel, zie afbeelding 14) aanwezig.

De gooreerdgronden hebben een middelhoge archeologische verwachting. Gooreerdgronden lagen namelijk hoog genoeg voor permanente bewoning tot het klimaat zodanig vernatte dat bewoning minder mogelijk werd. Binnen de gooreerdgronden worden daarom voornamelijk, maar niet uitsluitend, oudere archeologische waarden verwacht. Het is moeilijk om de vernatting van het gebied te dateren, omdat de chronologie van dit proces lokaal sterk verschilt.

De hoge zwarte enkeerdgronden hebben een hoge archeologische verwachting. Deze enkeerdgronden vallen samen met de dekzandwelving in de oostelijke helft van het plangebied. De hoge archeologische verwachting is gebaseerd op een hogere ligging, direct grenzend aan een beekdal. Hierdoor lag dit deel van het plangebied relatief hoog in het landschap, met geringe kans op overstromingen, maar had het tegelijk gemakkelijke toegang tot een waterbron. Hierdoor was het een aantrekkelijke omgeving voor bewoning. Later heeft hier (heide)plaggenbemesting plaatsgevonden (resulterend in een zogenaamde enkeerdgrond) waardoor eventuele archeologische waarden mogelijk goed beschermd zijn gebleven. De archeologische verwachting is daarom hoog voor de perioden Laat-Paleolithicum/Neolithicum tot aan de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. De mogelijke archeologische sporen en vindplaatsen kunnen uiteenlopen van tijdelijke jachtkampjes van jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum/Neolithicum tot nederzettingsterreinen en sporen van landgebruik/verkaveling uit de periode vanaf het Neolithicum/Bronstijd tot aan de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. Tot de eerste vondstcategorie behoren voornamelijk vondsten van bewerkt vuursteen; tot de tweede categorie behoren o.a. grondsporen van structuren zoals boerderijen, bijgebouwen, sloten, greppels en afvalkuilen, zowel als grafheuvels; en vondsten van o.a. aardewerk, bot en metaal. Eventuele sporen van bewoning of landgebruik kunnen op of vlak onder het maaiveld worden aangetroffen.

Archeologische resten worden verwacht in de eerdlaag (A-horizont) en in de top van het dekzand (oorspronkelijke C-horizont). In de top van het dekzand kunnen eventueel aanwezige archeologische resten daterend uit het Laat-Paleolithicum t/m de Vroege-Middeleeuwen worden verwacht in het begraven podzolprofiel. Eventueel aanwezige archeologische resten daterend uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht onderin het eerddek en de top van het dekzand. Archeologische sporen kunnen zich bevinden van het maaiveld tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Het opgebrachte plaggendek kan tot 0,80-1,00 m dik zijn ; de archeologische verwachting rust dus op de bovenste 1,25 m-mv. Voor de gooreerdgrond rust de archeologische verwachting op de bovenste 0,75 m-mv gezien het feit dat de het opgebrachte plaggendek tot maximaal 0,50 m dik kan zijn.

De kans bestaat dat de vondstenlaag is opgenomen onderin de eerdlaag; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen de eerdlaag en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. In het eerddek kunnen aardewerkfragmenten uit de IJzertijd en Romeinse tijd aanwezig zijn. Door het bewerken van de grond in de beginfase van de vorming van het esdek wordt (de bovenzijde van) de cultuurlaag en sporen opgenomen in het esdek. Zo komt materiaal van een vindplaats op of nabij de locatie in het esdek terecht. Het in de cultuurlaag opgenomen materiaal kan ook van elders komen. Dat is vaak ME of NT materiaal dat op de mesthoop terecht is gekomen en daarna over het land verdeeld met de mest en plaggen. Dit betreffen dus geen in situ archeologische resten, omdat deze van een andere locatie zijn meegevoerd ten tijde van het opbrengen van het eerddek (verstoorde context).

Verder geldt er een hoge archeologische verwachting vanaf de Late-Middeleuwen tot de Nieuwe Tijd voor het deel van het plangebied gelegen ter hoogte/in het oude centrum van Sint Hubert (paars en lichtpaars op de archeologische beleidskaart) op basis van historisch vastgelegde continue activiteit in dit deelgebied.

Wat betreft ondergrondse bouwhistorische waarden is er een verwachting op het aantreffen van resten van voorgangers van de huidige weg, en van enkele op de kadastrale minuut zichtbare gesloopte gebouwen ter hoogte Pastoor Jacobstraat 39 en 46-48a. Verder ligt de huidige weg in het uiterst oostelijke deel van het plangebied op een rivierdijk van zeer hoge historische waarde uit de Late Middeleeuwen.

Er is echter een grote kans dat de ondergrond in delen van het plangebied verstoord is geraakt als gevolg van de aanleg van de N264 en het leggen van kabels en leidingen; de KLIC laat zien dat er een wirwar van kabels aanwezig is binnen het plangebied, met uitzondering van een deelgebied in het uiterste westen van het plangebied dat iets verder weg is gelegen van de weg. Het is echter niet precies duidelijk waar en tot hoe diep verstoring van het oorspronkelijke bodemprofiel onder en naast het huidige tracé is geweest. In het oostelijke deel van het plangebied is het mogelijk dat de opgebracht heideplaggen (esdek, mogelijke dikte tot 1,00 m-mv) de mogelijke onderliggende archeologische waarden hebben beschermd.

Advies Voor het oostelijke deel van het plangebied geldt op basis van de aardwetenschappelijke waarden, de ligging in/nabij het oude centrum van Sint Hubert en de aanwezigheid van een laatmiddeleeuws dijklichaam een hoge archeologische verwachting (zie afbeelding 14); de overige delen hebben een middelhoge archeologische verwachting. Deze hoge/middelhoge archeologische verwachting geldt vanaf het maaiveld tot 0,75 m-mv (gooreerdgronden in het westen van het plangebied) en 1,25 m-mv (hoge zwarte enkeerdgronden in het oosten van het plangebied). Archeologische resten worden verwacht in de eerdlaag (A-horizont) en in de top van het dekzand (oorspronkelijke C-horizont). Ook kunnen resten van een oudere weg worden aangetroffen. Door sub-recente activiteiten, met nam de aanleg van bestaande kabels en leidingen, kan de ondergrond in delen van het plangebied verstoord zijn geraakt. Het is echter niet exact bekend waar en tot hoe diep, en of dit eventuele archeologische sporen of vondsten in de ondergrond heeft aangetast. Dit is mogelijk niet het geval in het deelgebied in het uiterste westen van het plangebied, dat iets verder weg is gelegen van de weg.

Gezien de geplande werkzaamheden adviseert Vestigia Cultuurhistorie & Archeologie het volgende:

  1. De werkzaamheden zijn nog niet in detail bekend. Ook is in de ondergrond binnen het plangebied een wirwar aan kabels en leidingen aanwezig. Als de werkzaamheden in detail bekend zijn dient er daarom eerst een gedetailleerde verwachtingskaart opgesteld te worden. Voor deze verwachtingskaart dient er voor het gehele plangebied een nadere studie gemaakt van de bestaande verstoringen (kabels, leidingen, wegcunnet) en de diepteligging daarvan, en een nadere specificatie te worden gemaakt van de geplande vergravingen. Op basis hiervan wordt een kaart opgesteld waar vervolgonderzoek nodig is (zie opties hier beneden). Deze verwachtingskaart wordt, na goedkeuring door het bevoegd gezag, in het PVA voor een eventueel verkennend booronderzoek opgenomen, en (in een geupdate versie) in het PvE voor de uiteindelijke begeleiding onder protocol inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven – variant archeologische begeleiding. Het Plan van Aanpak voor een eventueel verkennend booronderzoek dient voorafgaand aan het veldwerk door het bevoegd gezag goedgekeurd te worden.

  2. Voor de locaties waar op basis van het definitieve bestek ontgravingen vanaf maaiveld nodig zijn geldt het volgende:

A. daar waar op basis van de KLIC-melding geen kabels en leidingen in de ondergrond liggen dient er een inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) te worden uitgevoerd om vast te stellen of er wel of niet een intact bodemprofiel aanwezig is. Het verkennend booronderzoek kan worden uitgevoerd door te boren met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm), in een raai met boringen om de 25 m. Deze boringen dienen te worden gezet tot een diepte van 25 cm in de C-horizont.

Daar waar er uit het booronderzoek blijkt dat binnen het archeologische verwachtingsniveau (tot 0,75/1,25 m-mv) een intact bodemprofiel aanwezig is dienen de werkzaamheden in uitvoeringsfase te worden begeleid onder protocol inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven – variant archeologische begeleiding. Ook kan er voor worden gekozen om in het kader van een snelle voortgang van project, en om de hinder voor de omgeving zo veel mogelijk te beperken, het booronderzoek over te slaan en in de uitvoeringsfase op deze locaties de graafwerkzaamheden te begeleiden onder protocol inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven – variant archeologische begeleiding. Bij deze begeleiding dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van resten van de historische bebouwing en dijk.

B. Voor de locaties waar ontgravingen nodig zijn en geen booronderzoek kan worden uitgevoerd vanwege de aanwezigheid van kabels geldt het volgende: a. Waar deze aantoonbaar dieper liggen dan 0,75 (gooreerdgronden met een middelhoge archeologische verwachting) / 1,25 m-mv (hoge enkeerdgronden met een hoge archeologische verwachting) is geen vervolgonderzoek nodig. b. Waar de kabels dieper liggen dan de geplande ontgravingsdiepte is geen vervolgonderzoek nodig. c. Daar waar de bestaande kabels en leidingen niet aantoonbaar dieper liggen dan 0,75/1,25 m-mv of niet dieper liggen dan de geplande ontgravingsdiepte, dienen de graafwerkzaamheden te worden begeleid onder protocol inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven – variant archeologische begeleiding.

Het is aan het bevoegd gezag, de gemeente Mill en Sint Hubert, om op basis van dit rapport en het hierin geformuleerde advies een besluit te nemen ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek of het beëindigen van het archeologisch onderzoeksproces.

Ook wanneer het plangebied op enig moment op basis van de resultaten van archeologisch onderzoek wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Mill en Sint Hubert, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Identifier
DOI http://dx.doi.org/doi:10.17026/dans-xag-cc38
Metadata Access https://easy.dans.knaw.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=oai:easy.dans.knaw.nl:easy-dataset:178493
Provenance
Creator Puijenbroek, F.P.J. van;Picard, E.R.J.G.;Satijn, O.P.N.
Publisher Data Archiving and Networked Services (DANS)
Contributor Vestigia
Publication Year 2020
Rights info:eu-repo/semantics/openAccess;License: http://creativecommons.org/publicdomain/zero/1.0
Contact Vestigia
Representation
Language Dutch
Resource Type Text
Format application/pdf
Discipline Archaeology
Temporal Coverage {2020-07-13,2020-05-19,2020-07-13}